Het afkappen

Pauw, ezel, koeien …
De verte heeft veel stemmen
om naar te luist’ren.

Gisteren werkte ik aan deze haiku. En dat werken mag je zelfs behoorlijk letterlijk nemen: er was werk aan. Niettegenstaande het idee heel eenvoudig en meteen ‘klaar’ was, was de haiku dat niet. Even schetsen:

Ik zat in het Huis van de Haiku te werken met de ramen open. Ineens hoorde ik in de verte een pauw roepen. Ik keek er van op, staarde even in de verte en stond stil bij wat je allemaal vanuit de verte kunt horen. Ik dacht aan vroeger, toen ik als kind bij valavond rond melktijd altijd de koeien in de verte hoorde loeien. En nog later, toen ik in de stad woonde, ergens een ezel. De verte, zo dacht ik als een logisch gevolg daarvan, heeft veel stemmen om naar te luisteren. Haiku klaar? Even proberen, dacht ik:

Pauw, ezel, koeien …
De verte heeft veel stemmen
om naar te luisteren.

En dan snel lettergrepen tellen. Oeps! Die derde regel. Maar dat is normaal en vind ik niet erg. Dan kan immers het spelen beginnen en het zoeken om bepaalde dingen misschien nog mooier te zeggen. Maar hoe ik ook werkte en wroette, het kwam niet goed met die derde regel. Hoewel ik ondertussen veel ervaring heb met het maken van versies, versies en versies en het schuiven met woorden, het sleutelen aan structuren, het zoeken van synoniemen, het kwam niet goed. Elke andere versie deed afbreuk aan het idee.

AFKAPPEN

Tot ik ineens aan een verkorte versie van het woord luisteren dacht, namelijk luist’ren. Zoals bij ’t is of als in door ’t open venster. Maar dan binnen in het woord. Vroeger, in oude gedichten, deed men dat wel vaker. Niet zozeer omwille van de lettergrepen, maar voor het ritme. Theoretisch kon het dus wel, was het taalkundig geen ‘verboden’ ingreep.

Maar principieel ben ik van zo’n ingrepen (oeps, óók een afkapping!) geen groot voorstander. En dus wroette ik nog maar wat verder op de derde regel, bekeek of ik door een ingreep in de tweede regel het woordje om niet naar de tweede regel kon overbrengen. Helaas, niets stelde mij tevreden zonder afbreuk te doen aan de inhoud en zeggingskracht van de haiku.

Uiteindelijk besloot ik dat er mij dus twee mogelijkheden restten: 1. de zes lettergrepen in de derde regel toelaten of 2. het woord luisteren toch afkappen. Wat een moeilijke keuze! Ach, eigenlijk niet. Bij voorbaat sluit ik een afwijking van het aantal lettergrepen voor mezelf uit. Want dan is het hek van de dam. Als ik het één keer toelaat, waarom dan niet een tweede, derde of vijfhonderdste keer? Nee, het patroon van 5-7-5 lettergrepen blijf ik koppig aanhouden als een essentieel onderdeel van het spel en de uitdaging van haiku.

KLINKEN

Dus de afkapping? Ik probeerde het en de woorden van Bashõ indachtig dat ik mijn gedicht duizendmaal op de lippen moet nemen, prevelde ik half luidop duizendmaal mijn haiku. En kijk, of beter hoor: dat luist’ren deed ik haast vanzelf, ook al zou er luisteren hebben staan. Omdat het de klank en het ritme van de haiku naar mijn gevoel sterk verbetert, hem mooier maakt, hem ritmisch juister doet klinken. En als dat werkelijk zo is — proberen jullie het ook eens? — waarom zou ik dat de lezer dan ook niet mogen aangeven? Dat hij met andere woorden luisteren beter kan lezen als luistren, maar dan correct genoteerd, volgens de iet of wat oudere traditie als luist’ren.

Eind goed, al goed? Ach, wie oordeelt in deze zaken over goed en niet goed? Iedere lezer voor zich zou ik zeggen. Als dichter hoef ik mij daar zelfs niet eens iets van aan te trekken. Ik moet alleen trachten een mooie haiku te maken en hem te noteren op de manier waarop ik hem zelf het mooist vind. Aan de lezer om dan te oordelen of dat voor hem of haar ook zo is. Einde van het werken! Zo dus:

Pauw, ezel, koeien …
De verte heeft veel stemmen
om naar te luist’ren.