Ontsluiten

Een briesje ging door mijn haren wijl iemand wilde weten: Is een haiku niet te kort voor iets diepzinnigs? Ik antwoordde: Je moet zijn deuren opendoen en naar binnengaan!

door Geert De Kockere

Hoe diep en rijk een haiku is, hangt natuurlijk van de haiku zelf af. Van hoe diep hij is geschreven. Maar de lezer is ook in hoge mate zelf verantwoordelijk voor de diepte ervan, voor de diepere lezing ervan. En dat is net het mooie aan haiku: het kleine gedicht nodigt elke keer opnieuw de lezer uit om nog mee te dichten, deel te nemen aan de rondleiding in de vele kamers die een haiku rijk kan zijn. Maar je moet hem willen ontsluiten, de gouden sleutel zoeken. Je moet dus als lezer bereid zijn om zijn deuren open te doen en met grote ogen rond te kijken in zijn soms vele mooie en verschillende vertrekken, waarin je zelfs kunt verdwalen. Een tweetal eenvoudige voorbeelden.

In een park bijeen:
loof en naald en conifeer.
Men noemt ze bomen.

Bij een eerste lezing een schijnbaar eenvoudige beschrijving van een al even eenvoudig tafereel: in een park staan verschillende soorten bomen bijeen, dooreen zelfs. Zowel eiken als dennen als coniferen. De dichter stelt het vast. Maar dan steekt hij in de haiku die wat vreemde deur: Men noemt ze bomen. Het is een deur naar een heel nieuwe kamer in de haiku. Als lezer moet je bereid zijn even bij die deur stil te staan, de sleutel te zoeken (achter een hoekje, onder een mat, op de lambrisering), de deur te openen en de kamer binnen te gaan. En wat lees je dan? Iets als: je kunt natuurlijk een onderscheid maken in soorten mensen, naargelang ras, cultuur of afkomst. En daarover gaan zeuren. Dat ene of gene hier of ginder niet thuishoort. Maar uiteindelijk zijn het gewoon ‘mensen’ die samen op één plek leven: ons klein, in het heelal godverloren planeetje.

Tussen de bomen
hangt ook nog een vergezicht.
Het einder is vaag.

Deze haiku is in oorsprong misschien iets poëtischer al dan de vorige, iets minder doodgewoon. Op een wat dichterlijke wijze beschrijft de haiku hoe je in de lente, als de bomen weer langzaam hun bladeren krijgen, door het gebladerte of tussen twee dichtgroeiende bomen nog de verte kunt zien. Op een wat mistige morgen misschien, want het einder, de horizon is vaag. Ook hier kun je diverse deuren ontsluiten en in nieuwe kamers in de haiku rondwandelen. Zegt hij immers niet dat in of tussen de vele details (de bomen en hun gebladerte) vaak nog iets ruimers, veel groters te zien is (een vergezicht)? Vraagt hij niet om verder te kijken dan wat er op de voorgrond, op het eerste gezicht te zien is? En nog: het einder is vaag. Is ook dat geen nieuwe kamer in de haiku? Je zou het kunnen lezen als de toekomst: vanuit je heden is je toekomst soms al te zien, maar wel nog vaag. Zegt deze haiku je niet dat er meer voor je is weggelegd dan het heden? En dat je daar misschien ook al even moet naar kijken, aan denken? Of verwijst de dichter naar je lotsbestemming? Of naar het ultieme einde?

Kom binnen en zoek de sleutels die de dichter in de haiku verborg en open alle deuren die je kunt vinden. Geen mooier en groter paleis dan de haiku.