Witruimte

We zaten in alle stilte op een heuvel en iemand vroeg mij in gedachten: Hoeveel wit kan of mag er in een haiku? Ik had zijn vraag toch gehoord en sprak met mijn ogen: Een heel dal.

door Geert De Kockere

Haiku zou je ook wel de poëzie van de witruimte kunnen noemen, de witruimte rondom de karige drie regels, maar ook de witruimte binnenin de haiku. Het is een boeiende gedachte, die eenmaal doordacht ook de kern van haiku aanraakt en overpeinst. Witruimte als een essentieel kenmerk én onderdeel van de haiku, misschien wel hét kenmerk.

Het idee dat witruimte een belangrijk onderdeel is van literatuur is niet nieuw. Zo vroeg Kafka in een brief aan zijn uitgever al om een grote marge en veel wit rondom zijn tekst te laten. Want anders kan ik niet genoeg ademen. En Marc-Alain Ouaknin bedacht: Witruimtes in de tekst zijn als stilte: erg sprekend. Hij schrijft verder nog:

Het wit is een van de meest essentiële aspecten van de literatuur. Het is misschien zelfs haar fundament. Een tekst is literair door zijn witruimtes, zijn stiltes, zijn weglatingen en onderbrekingen, die de lezer uitnodigen om naar binnen te gaan, om er zijn verbeelding, zijn interpreterend vermogen, zijn vragen, zijn verwachtingen en soms zijn teleurstellingen te ontwikkelen.

Een andere interessante bespiegeling over de witruimte is die van Wolfgang Iser in zijn L’appel du texte:

Het wit van de tekst is ontworpen om de verbeelding van de lezer uit te nodigen om actief tussen te komen. Door de leemte van het lege en het witte geeft de tekst aan zijn publiek de mogelijkheid om mee te werken. Alleen de leegtes laten de lezer toe deel te nemen aan het samenstellen van de betekenis van een gebeurtenis, want elke nieuwe interpreteerder mag niet tevreden zijn met het antwoord of de betekenis die voor hem werd geformuleerd en algemeen lijkt te gelden, en mag dus proberen een nieuw antwoord te geven op de vraag die de tekst met zich meebrengt of die hem werd overgeleverd. Deze beweging wordt mogelijk gemaakt door de open, onbepaalde structuur die telkens nieuwe interpretaties toelaat.

Verder zegt Iser daar nog over dat die interpretaties waarover hij het heeft, beschermd zijn tegen totale willekeur door de grenzen en de omstandigheden die de auteur in zijn tekst schetst: decor, tijd, personages, enz. Maar binnen die grenzen is er voor de lezer nog meer dan (wit)ruimte genoeg om zelf te interpreteren.

En laat mij vervolgen met Roberto Juarroz in Fragment verticaux:

In elk gedicht ontbreekt een stap verder. En als men een stap verder zet, ontbreekt weer een andere, enzovoort. Men kan zo de mogelijkheid van een eindeloos gedicht bedenken, onuitputtelijk, doorlopend, oneindig. Waaruit misschien het verband ontspringt tussen poëzie en het mystieke visioen van een woord in voortdurende evolutie, in eeuwige expansie. Men kan met andere woorden zeggen dat een gedicht altijd onvolledig zal zijn. Niet alleen omdat alles onvolledig is, maar omdat het gedicht zich moet ontplooien en tot stand komen bij diegene die het ontvangt. Meer nog, het gedicht moet in staat zijn zich te herscheppen en zich eindeloos te vervolledigen bij zijn schepper en bij de anderen.

WITRUIMTE EN HAIKU

Tot zover enkele boeiende gedachten over witruimte in de literatuur en de mogelijkheden die zo’n witruimte voor de lezer schept, ook als is die, nee, juist omdát die wit is. Maar wat betekent dat nu concreet voor de haiku? Eerst nog even dit: aandacht voor leegte en dus witruimte is bij uitstek aanwezig in de literatuur van de Chinezen en de Japanners. In hun literatuur, hun kunsten en hun houding tegenover de wereld in het algemeen. In Japan is leegte zelfs één van de elementen, naast aarde, vuur, water en wind. Toen Michel Random een hele dag met de beroemde schrijver Yukio Mishima doorbracht, zijn huis zag en vaststelde dat alles bij hem ofwel modern ofwel 18de-eeuws Frans was, zei Mishima daarover: Hier is enkel de leegte Japans.

Terug naar de haiku nu. Met zijn ampere drie regels en zijn nauwelijks zeventien lettergrepen is haiku de ideale vorm om die Japanse leegte te laten voelen en te integreren in poëzie. De strenge beperking van het aantal woorden die je mag neerzetten, dwingt je er als schrijver toe om er uiterst goed over na te denken en ze zo neer te zetten dat de witruimte rondom en de leegte (de soberheid) binnenin óók een rol speelt als mogelijkheid voor de lezer om het gedicht te vervolledigen, zoals Juarroz het ziet. Elke haiku met witruimte en leegte is zo gezien een (groot) gedicht in wording, dat enkel door de verbeelding en interpretatie van de lezer kan vervolledigd worden. En elke andere lezer kan door die vrijheid, die leegte, die witruimte tot een ander vervolledigd gedicht komen. Maar tegelijk wil dat ook zeggen dat het gedicht nooit helemaal af is, volledig is of zelfs kan zijn! Omdat elke andere vervollediging iets toevoegt en het gedicht zo telkens langer maakt. Net zo lang en zolang als er lezers te vinden zijn.

KETTINGVERZEN

Meteen moest ik bij Juarroz en zijn idee van het herscheppen en vervolledigen ook denken aan de lange traditie van het kettingvers in Japan (renga), waarbij iemand begon met een openingsvers van 5-7-5 lettergrepen, waarna iemand anders een vervolg schreef van 7-7 lettergrepen, om opnieuw te worden aangevuld met een vers van 5-7-5, waarna wéér een vervolg (haast schreef ik ‘vervollediging’) van 7-7 volgde. Enzovoort. Daarbij week het gedicht door steeds nieuwe associaties van steeds nieuwe dichters steeds verder af van zijn oorspronkelijke opening en werd het elke keer opnieuw herschapen door de nieuwe interpretaties van het reeds bestaande gedicht. Zo ontstonden in het oude Japan kettingedichten van duizend of meer aparte, telkens opnieuw ‘vervolledigde’ deeltjes. Hoe mooi sluit dit niet aan bij de ideeën van Juarroz?

Haiku is dus de poëzie bij uitstek die bewust veel witruimte inbouwt, de leegte in het interieur van Mishima, de mogelijkheid om te ademen van Kafka, de kans tot interpreteren van Iser en het vervolledigen en herscheppen van Juarroz. Haast letterlijk als je dat kleine gedicht op een ruime bladspiegel plaatst, maar ook figuurlijk in de haiku zelf. De haiku schept met zo weinig mogelijk woorden en zo sober mogelijk een beeld en doet dat met zoveel witruimte en leegte dat het beeld van de dichter met behulp van de verbeelding van de lezer haast eindeloos kan worden uitgebreid, vervolledigd, herschapen tot een groots tafereel, een gigantisch decorum, een roman, waarbij haast evenveel lezingen mogelijk zijn als er lezers zijn. Daaruit afgeleid, moet het duidelijk zijn hoe belangrijk ook de vormgeving, de letterlijke layout dus van een haiku in een boek, op een blad, in een folder of waar dan ook is. Soms wordt daar te weinig aandacht aan besteed. Bekijk de websites van zowat alle haikukringen en je merkt meteen dat ze die witruimte niet kennen en haiku in zijn kern dus eigenlijk ook niet begrijpen.

GRENSPAALTJES

En hoe mooi past haiku niet bij het idee van Iser, die zegt dat een tekst ontworpen is om de verbeelding van de lezer uit te nodigen om actief tussen te komen en mee te werken, deel te nemen aan het gedicht en het groter te maken dan het is? De dichter schept enkel een soort kader, wijst de grenzen aan, zet met zijn weinige woorden een paar grenspaaltjes uit, waarbinnen de lezer zelf verder mag en kan interpreteren. Hoe concreet een haiku ook is of lijkt, de uiterlijke en innerlijke witruimte laat de lezer altijd toe om van dat concrete iets te maken dat veel verder, veel dieper leest en reikt dan het ogenschijnlijk simpele van wat er ‘maar’ staat. De witruimte rondom en tussenin is geheel en al een lege speelplaats voor de lezer! Benut ze! Speel maar en vind daar ongelooflijk veel plezier in.

Of om te besluiten met de woorden van haikukenner R.H. Blyth: Haiku lezen is inspannender dan het lezen van gewone poëzie, maar ik weet niets dat meer voldoening schenkt.

P.S. Lees nu hierboven eens opnieuw alle citaten met de haiku in gedachten. Zijn het niet schier allemaal mooie definities van de haiku?