Stanley

Zonet opgerold,
Stanley, vaders huisjesslak
van drie meter lang.

Moet een haiku altijd klaar en duidelijk zijn vanaf de eerste lezing? Mijn antwoord is: ja, bij voorkeur wel. Haiku is immers de poëzie die een objectieve waarneming in beeld brengt. Wel zodanig dat het beeld een bijzonder gevoel bij de lezer oproept en hem eventueel toelaat dieper te graven, meer te lezen. Maar in wezen dus een vrij eenvoudige beschrijving (op mooie wijze) van een eenvoudige en herkenbare waarneming. Geen raadsel dus.

Maar … Maar … Het kán weleens leuk zijn om voor de afwisseling een haiku te maken die iets raadselachtiger is, op voorwaarde dat het raadsel voldoende elementen bevat om het toch nog te kunnen zien. Eventueel kan dat via woorden die stuk voor stuk hints zijn. Het zal dan van de herkenning van die woorden afhangen of iemand het raadsel makkelijk oplost en dus de haiku kan lezen.

HINTS

Bovenstaande haiku is zo’n raadsel. En het zal wellicht van die Stanley afhangen of je hem snel door hebt of niet. In combinatie met opgerold. Het zijn de twee hints die je moeten toelaten om het beeld te zien en dus de haiku te vatten. Af en toe zo’n raadselhaiku te midden van de meer klassieke haiku’s kan verfrissend zijn en speels. Ook leuk en boeiend om met kinderen zulke haiku’s te maken!

En nog een aardigheidje als extraatje:

Zo net opgerold!
Stanley, vaders huisjesslak
van drie meter lang.

Vroegochtendregen

De nacht hangt nog half
in de vroegochtendregen.
Niet eens de kauwen.

Dit is nog eens een interessante haiku om even bij stil te staan. Om diverse redenen. De eerste notie bijvoorbeeld. Over de nacht die nog in de regen hangt. Het is vanuit de klassieke haiku gezien een wat atypische formulering. Omdat ze te poëtisch is. Want objectief gezien kan de nacht niet in de regen blijven hangen. Je kunt wel dat gevoel hebben. Door de sombere sfeer en de donkere hemel als het vroeg in de ochtend regent. Maar strikt genomen kan het niet en kun je dat dus ook niet zien.

Als je haiku definieert als de neerslag van een objectieve waarneming zit je hier dus fout. De formulering sluit wel meer aan bij ons westers idee van poëzie. En dan stelt zich steevast de vraag: moeten we haiku blijven kopiëren zoals die in het Oosten bestaat/bestond of geven we er onze eigen westerse draai en sfeer aan? Mag haiku bij ons niet iets meer westers klinken? Een boeiende discussie!

EIGEN WOORD

Een tweede interessant element in deze haiku is het wat abnormale woord vroegochtendregen. Wie er diverse woordenboeken op na slaat, zal het niet vinden. Het is dus een woord dat ik zelf bedacht, gevormd uit het idee van regen in de vroege ochtend. Het boeiende eraan is dat de formulering als één nieuw zelfstandig naamwoord de lezer iets meer laat vermoeden dan indien er zou staan regen in de vroege ochtend. Vroegochtendregen suggereert immers dat er ook iets bestaat als laatochtendregen. Of halfmiddagregen. En laatavondregen.

En die suggestie roept dan misschien diverse beelden en sferen op. Hoe anders is de vroegochtendregen dan de halfmiddagregen? En hoe onderscheidt de laatavondregen zich van de vroegochtendregen? Door van het idee dus een nieuw, zelfstandig woord te maken, opent de dichter in zijn haiku een heel register van soorten regens en kan dat voor een lezer een extra element zijn om te genieten. Droog in al die buien.

Het toedichten

Als een vervolg op de twee tanshuku’s over de mug die ik eerder vandaag al postte, hierbij ook nog een haiku. Hij zou ook inhoudelijk een vervolg op de twee tanshuku’s kunnen zijn:

Midden in de nacht
vraagt ze om euthanasie.
De zoemende mug.

Bij deze haiku zou je wel nog de vraag kunnen stellen of het wel om een echte, om een zuivere haiku gaat. Immers, is dit wel een objectieve waarneming en sta ik als dichter niet te veel in de weg door de mug iets toe te dichten? Zoiets is en blijft een moeilijk punt, met steeds en overal voor- en tegenstanders. Mijn maatstaf is dan doorgaans de geschiedenis en een lezing van het werk van de oude Japanse haikumeesters.

Eén van de grote vier, namelijk Kobayasi Issa, deed het vaker. Het toedichten van een eigen gedachte aan een dier. Enkele voorbeelden:

De nachtegaal laat
het ontbijt erbij zitten
om maar te zingen!

In de pruimenbloesems
prijzen de mussenjongen
luid boeddha Amida!

Alles wat hij doet
gaat zo weloverwogen —
de huisjesslak.

Die vlieg niet doodslaan!
Hij wringt voor u zijn handjes,
hij wringt zijn voetjes.

Zou voor de vlooien
de herfstnacht ook zo lang zijn,
en ook zo eenzaam?

Je moet de haiku dus zo lezen dat de dichter een objectieve waarneming doet (de mug die in het donker rond zijn hoofd komt zoemen) en hij in dat zoemen een denkbeeldige vraag van de mug hoort, afgeleid uit het toch wel herhaalde en ergerlijke zoemen. Hij stelt zich dan zelfs vrij objectief de vraag of die mug misschien dood wil. Zo ontstaat als een bijna logisch gevolg de connotatie met het idee van euthanasie en vloeit het beeld voort uit de vrij objectieve ervaring van het vervelende zoemen.

Contrasten

Zittend in de sneeuw
eet hij een sinaasappel.
Waarheen met de schil?

Boeiend bij het lezen van deze haiku is hoe je het tafereel ziet en zelf verder aanvult. Laat ons eens samen op een boogscheut van deze mens met zijn sinaasappel gaan zitten en hem een poosje gadeslaan.

Het heeft pas gesneeuwd, een dikke laag. Ergens op een schoongeveegd bankje zit iemand een sinaasappel te eten. Meteen heb je hier twee contrasten om in je hoofd mee te spelen. Ten eerste is er het contrast tussen de kraakwitte sneeuw en de fel oranje sinaasappel. En ten tweede is er het contrast tussen het koude idee van de sneeuw en het warme idee van de zuiderse vrucht. Een visueel contrast én een gevoelscontrast dus. Beide contrasten samen prikkelen de geest, les extrêmes se touchent, en zorgen er mee voor dat het tafereel wat bevreemdend overkomt, een beetje surreëel zelfs: waarom gaat iemand toch in de sneeuw een sinaasappel zitten eten? Kon hij niet wachten en wilde hij koste wat het kost meteen naar buiten gaan? Zelfs om zijn sinaasappel nu in die winterkou te eten? Laat je maar glijden in je fantasie!

VRAAG

Maar het meest boeiend is de derde regel van de haiku: Waarheen met de schil? Het is een wat cryptisch geformuleerde regel. Je hebt bij het lezen wellicht iets van: Hoezo, waarheen? De regel roept vragen op. Moet je hem lezen als een vraag van diegene die de sinaasappel eet of als een vraag van de dichter, diegene dus die het tafereel ziet? Eigenlijk roept de regel beide vragen tegelijk op. De dichter ziet hoe de persoon in kwestie de sinaasappel pelt, een fel oranje schil te midden van al dat wit. En kijkt de persoon nu niet wat vertwijfeld om zich heen? Vraagt hij zich misschien af waar hij nu met die schil naartoe moet in al dat wit? Zou hij ook zo weifelend hebben rondgekeken indien het niet had gesneeuwd? Of zou hij gewoon zonder nadenken de schil achteloos hebben weggegooid? Omdat ze dan toch niet opviel? Maar nu lijken die kraakwitte sneeuw en dat immense contrast met dat fel oranje hem tegen te houden.

De vraag Waarheen met de schil? is een vraag die de dichter dus de persoon met de sinaasappel door zijn gestes en blik toedicht: hij kijkt wat besluiteloos om zich heen, nergens een plekje waar de schil in al dat wit niet zou opvallen. Of is het de dichter die al tijdens het pellen zelf die vraag stelt en ze dan in de gebaren, gedragingen van de persoon in kwestie projecteert? Wie stelt dus de vraag? Misschien vraagt de sinaasppeleter zich dat helemaal niet af. En geeft het antwoord op die vraag de haiku dan een andere betekenis?

Alweer een boeiende haiku met in die weinige woorden toch heel wat (sneeuw)balletjes om mee te jongleren. Doe maar, ja, doe maar!

Eendenkroos

Heel wat kroos geschept;
er schijnt weer licht in de poel.
En een klare lucht!

Wordt ons gemoed (wat een mooie en diepe poel!) soms ook niet bedekt door allerlei, vaak banale kroosjes die het licht verhinderen tot diep in ons gemoed te schijnen? Dat kunnen kleine besognes zijn, strubbelingen, ruzies, maar evengoed kunnen het opeenstapelingen van allerlei tierlantijntjes zijn, luxeprobleempjes. Misschien lijken die kroosjes zelfs oppervlakkig gezien wel mooi, geven ze naar buiten toe een mooi beeld, maar ze verduisteren al te zeer ons gemoed of stemmen ons leven somber. Opkuisen! Wegscheppen wat te veel is aan het oppervlak van ons leven! Laat het licht schijnen in je poel en kijk naar de klare lucht!

Ik heb er nog een paar en die mag je óók dieper lezen.

Het kroos, het drijft maar
en drijft en drijft alles dicht.
Kikkers in ’t donker.

Eendenkroos, mooi hoor!
Maar je kunt nu in de poel
geen hemel meer zien.

Het kroos weggeschept;
de waterkringen kunnen
weer vrijuit spelen.

De selfie

Achter ons een meer
en voor ons weelderig groen.
Zomer, een selfie.

Op het eerste gezicht beschrijft, registreert deze haiku puur en alleen wat er is: de dichter maakt (of maakte) een selfie aan de oevers van een meer, met de rug naar het meer gekeerd. Op de achtergrond van de selfie zie je bijgevolg een meer. En de dichter is niet alleen, want hij dicht over ons. Bovendien kijkt hij ook letterlijk vooruit. Hij zegt namelijk wat hij voor hen ziet: weelderig groen. Puur objectief, puur geregistreerd dus.

LIEFDESHAIKU

Wie echter geleerd heeft een haiku dieper te lezen, kan er een mooie liefdeshaiku in vinden. Er is om te beginnen die ons. Wetende dat een selfie altijd van dichtbij wordt genomen, kan het niet anders of de beide figuranten staan of zitten heel dicht naast elkaar. De dichter en een geliefde? Het kan haast niet anders.

Achter hen is er het meer. Een meer is vaak diep en heeft niet zelden sterke onderstromingen. Doorzwommen ze al vele watertjes? Met sterke stromingen die ze overleefden? Samen of elk apart in hun leven vooraleer ze elkaar dan op deze oever vonden?

FIGUURLIJK

En dan is er nog dat vooruitkijken. Is dat misschien ook een figuurlijk vooruitkijken? Is het meer met zijn stromingen het verleden en het weelderige groen de toekomst? Dat weelderige groen dat ze voor zich uit zien. Aan de rand van dat meer, midden in de natuur, kunnen we ons dat best wel voorstellen. Is het niet de suggestie van een mooie, hoopvolle toekomst? Fris, avontuurlijk, vruchtbaar, overvloed, plekken genoeg om te ontdekken, maar ook om te schuilen?

En wat doe je met de zomer, nóg zo’n boeiend element in deze haiku. Voegt het idee van de zomer ook iets toe? Zomer staat symbool voor een tijd van verhoogde helderheid en energie, een piek in kracht en creativiteit ook, een symfonie van geuren, kleuren en klanken. Maar tegelijk ook een zekere rust. De veranderingen in het leven bereiken nu hun volwassenheid, de zon staat het hoogst. De lange dagen en de warmte geven energie om door te zetten.

En tot slot: zegt het woord selfie niet dat het koppel naar zichzelf kijkt, misschien hun relatie evalueert? En is het voorgaande in de haiku dan ‘het verslag’ van die evaluatie?

SUGGESTIE

Het is een manier om een haiku te schrijven over de liefde. Want strikt genomen wordt in een haiku nooit een gevoel beschreven, enkel zo subtiel mogelijk gesuggereerd. Een haiku die rechtstreeks over de liefde gaat, is dus vrijwel nooit een goeie haiku. Ik schreef er een Funny Answered Question over: een haikuFAQ.

O ja, deze haiku is ook echt gebeurd. Wil je hem zien, die selfie?

Het takje

Met haar zes pootjes
houdt ze één klein takje vast.
De waterjuffer.

Heb je al de diepere lezing van deze haiku geprobeerd? Ik laat je nog even …


Nu dan: nodigt deze haiku je niet uit om bij tegenspoed de hoop nooit te verliezen en het allerkleinste sprankeltje hoop dat je ziet met beide handen vast te grijpen, houvast te zoeken? De waterjuffer doet het zelfs met haar zes pootjes tegelijk!

En wat met die lezing als ik nu aan deze haiku iets kleins verander? En dat terwijl het eigenlijke tafereel precies hetzelfde blijft: dezelfde waterjuffer aan datzelfde takje. Alleen de zienswijze van de dichter is anders. Hoe lees je hem nu?

Met haar zes pootjes
houdt ze een dood takje vast.
De waterjuffer.

Ik ben het!

Schrijver aan de poel.
En ik ben het, ik zie het!
De waterspiegel.

Zoals zo vaak bij haiku zegt dit kleine gedicht weer meer dan er op het eerste gezicht lijkt te staan. Stel je om te beginnen het tafereel zo concreet mogelijk voor:

Ik zit aan de rand van de poel van het Huis van de Haiku te schrijven. Haiku’s natuurlijk. Daarbij geraak ik in de ban van wat ik aan het schrijven ben, droom weg, verdwijn in het tafereel en ben in gedachten helemaal niet meer aan de poel. Ik dwaal rond in het decor en de tijd waarover ik aan het schrijven ben, daarheen geflitst door wat ik de teletijdmachine van de poëzie noem. Plotseling, eerder toevallig, kijk ik even naar beneden over de rand van de poel en zie ik in de waterspiegel een gezicht. En wow, ik herken — tot mijn eigen verbazing haast — mezelf: En ik ben het, ik zie het!

Zegt deze haiku, zo gelezen, niet iets over wegdromen? Over plaats en tijd vergeten als je ergens heel intens mee bezig bent? Over het worden waar je over droomt, waar je aan denkt en dan plotseling, door een of andere gebeurtenis, weer in het hier en nu tot jezelf komt en als het ware verbaasd bent dat je er bent? Een herkenbaar gevoel?

Wijn en wijnstok

Avond, de wijnstok
is nog altijd dezelfde,
de wijn proeft anders.

De diepere lezing van deze haiku begint met de vraag waarom de wijn anders smaakt? Daar rept de haiku zelf met geen woord over, zoals haiku vaak over iets met geen woord rept. Maar dat wil niet zeggen dat er niets is.

Even het tafereel schetsen: de dichter zit op een avond (thuis op de bank of buiten op het terras) een glas wijn te drinken. En hoewel hij bij een gekende wijn van een gekend huis zweert, proeft de wijn dit jaar toch anders. Of althans: de ervaring is dat hij anders proeft, terwijl in de wijngaard de wijnstok ongetwijfeld dezelfde was (de wijnstok van topwijnen haalt makkelijk 30 jaar of meer). Hoe komt dat?

Vanaf nu is het aan de lezer en bepaalt de diepere lezing waarover deze haiku au fond gaat. Een eerste vraag die je je kunt stellen, is of het om een objectieve of eerder subjectieve vaststelling gaat dat de wijn anders proeft.

TWEE SPOREN

Besluit je als lezer dat het om een objectieve vaststelling gaat, dan kan het verhaal gaan over het rijpen van de druiven. Dat gebeurt niet elke zomer op dezelfde manier en is sterk afhankelijk van de hoeveelheid zon en regen. Of van het precieze tijdstip waarop de wijnboer besloot de druiven te plukken en als gevolg daarvan de verhouding in de druiven tussen zuur en zoet. Kortom: het is niet omdat de grond, de bron, de stam van iets gelijk blijft, dat het resultaat dat eruit voortvloeit altijd hetzelfde is. Er zijn veel factoren of persoonlijke beslissingen die het resultaat kunnen beïnvloeden.

Kies je voor het subjectieve spoor, dan zou je het anders proeven een romanachtige inhoud kunnen geven: moet de dichter dit jaar misschien noodgedwongen alleen drinken en proeft de wijn daarom anders, ook al komt hij van dezelfde wijnstok? Is een geliefde weggevallen en smaakt de wijn daarom niet meer zo fijn als voorheen? Mengt de wijn zich langzaam met de ‘smaak’ van diepere gevoelens?

Alweer verschillende verhalen in één haiku. Zoals verschillende wijn uit één wijnstok?

De schets

Mijn schets op het blad
wordt mooier met de uren.
Zomer, valavond.

Wat een haiku voor jou betekent hangt vaak af van je allereerste indruk, je allereerste lezing. En het kan best zijn dat die anders was geweest indien je de haiku een dag later had gelezen. Of op een ander tijdstip van de dag. Of na een bepaalde gebeurtenis of emotie.

Voor wie wil, zijn meerdere lezingen van deze ene haiku mogelijk, al naargelang je op een van de elementen de nadruk legt of die op een bepaalde manier interpreteert. Zo kun je je de vraag stellen waarom de schets mooier wordt met de uren? Is het omdat bij valavond het licht anders wordt en de schets daardoor ook een ander elan krijgt? Door invallend zonlicht? Door het schemeren, waardoor lijnen vervagen, het geheel obscuur wordt?

Of speelt hier iets anders mee, opgeroepen door de derde regel? Zomer, valavond. Roept dit misschien het beeld op van een mooie zomeravond en de dichter die aan een tafel op het terras zit, wat tekent en daarbij ook een lekkere fles wijn kraakt? En naarmate de uren en vooral de fles verstrijken, het licht en de geest vertroebelen, vindt hij zijn krabbels steeds mooier. De ontnuchtering volgt dan wellicht de dag erna.

VERTROUWD

En ook dit is nog een mogelijkheid: hoe langer je naar iets kijkt, hoe vertrouwder het wordt en hoe mooier je het soms vindt. En dat geldt niet alleen voor kijken, dat gaat evenzeer op voor andere zintuigen. Bekend is bijvoorbeeld een liedje: als je het de eerste keer hoort, vind je het maar niets. Maar als je het voor de honderdste keer hoort, zing je blij en vrolijk mee en vind je het toch een toffe hit. Ook met smaken heb je dat. Je moet het leren eten! zeggen de ouders dan.

Ik maakte ook nog een andere versie van deze haiku. Maar naar mijn gevoel is de eerste versie inhoudelijk een stuk interessanter en rijker. Ik zou nu verder nog de diverse elementen van beide haiku’s kunnen gaan mengen — versies, versies en versies! — en zo nog meer variaties maken.

De prent aan mijn muur
wordt mooier met de uren.
En de schemering.