Blauwe hemel

Herfst; door de wolken
nog de blauwe hemel zien.
Voor de avond valt.

Een heel eenvoudige haiku waar je nog veel kanten mee uit kunt. Er is vooreerst het zichtbare tafereel: je maakt in de latere namiddag een herfstwandeling, kijkt op een bepaald ogenblik naar boven en ziet tussen de bewolking nog plekken blauw. Maar een soort van gulden regel bij haiku is dat hoe eenvoudiger hij op het eerste gezicht lijkt, hoe dieper je hem kunt lezen. De eenvoud is vaak een soort tip: lees maar, lees maar verder, dieper, er zit meer achter dan je denkt.

DIEPERE LEZING

Wie aan de diepere lezing begint, merkt al snel dat de haiku vol symbolische woorden zit: herfst, wolken, blauwe hemel, avond, valt. Het zijn stuk voor stuk ankerwoorden om even aan te leggen en ze binnen het geheel een diepere betekenis te geven. Herfst zou hier kunnen verwijzen naar een bepaalde periode in het leven, na de zomer dus. Herfst zou je kunnen vervangen door Je wordt al wat ouder. En dan gaat de haiku verder met wolken. Zijn dat de onaangename, verduisterende akkefietjes, kwaaltjes, ongemakken die bij het ouder worden steeds vaker optreden?

Toch is er nog blauwe hemel. Hoeveel mag je zelfs als lezer zelf beslissen: de schone dingen van het ouder worden, de rust die je vindt, het misschien makkelijker klaar zien, meer openheid, enz. Maar je beseft tegelijk dat op een dag de avond valt. Een verwijzing naar de nakende dood? Maar er staat voor de avond valt. Er is dus het besef dat er nog tijd is, een besef van het nu ook, dat je nú de mooie dingen moet opmerken, de blauwe hemel moet zien. Want als het avond is, is het donker en kún je die blauwe hemel niet meer zien. Op die manier wordt de haiku ook een boodschap: leef nu, stel niets uit, heb nú aandacht voor de blauwe hemel door je wolken.

Mezelf

Staande op de brug
geef ik mezelf stroomafwaarts
met de rivier mee.

Hoe letterlijk mag of moet je een haiku lezen? Doorgaans mag je hem vrij letterlijk lezen. Om te beginnen. Dan lees je de eerste laag, de schets van het tafereel of de gebeurtenis. Dan zie je het beeld, de kleur en de verflaag van het schilderij.

Bij deze haiku ligt dat enigszins anders. Deze lees je beter niet al te letterlijk. Want als je dat doet, zou je een haiku over zelfdoding kunnen lezen. Het valt niet uit te sluiten, maar als de haiku de neerslag is van iets wat gebeurde, dan zou het vreemd zijn dat ik het achteraf nog opschreef. Niet? Je voelt dus aan deze haiku wel dat het mij niet om die letterlijke betekenis te doen is en je mezelf in de haiku anders moet lezen. Eerder metaforisch: mezelf als de samenvatting van alles wat ik ben, hoe ik mezelf zie, wat ik denk, wat mij bezighoudt.

FIGUURLIJK

Zo gelezen is het een haiku van iemand die bovenop een brug staat en starend naar de traag voortvloeiende stroom zijn gedachten laat afdrijven. Met de stroom mee. Misschien omdat hij ze kwijt wil? Misschien omdat hij in de verte een antwoord hoopt te vinden? Misschien omdat bepaalde dingen eens vanuit een ander perspectief te zien? Die mezelf is hier dan een figuurlijke mezelf.

Kortom: niet altijd betracht de dichter een letterlijke lezing van zijn haiku en voel je meestal wel aan de sfeer of aan bepaalde woorden of hij een andere lezing verwacht.

Smuiken

Het smuikt, zei moeder.
Al doornat als ik begrijp
wat ze bedoelde.

Een relatief eenvoudige haiku: je bent bij moeder op bezoek en net voor je te voet weer vertrekt, kijkt ze door het raam en zegt dat het smuikt. Je hebt het maar half gehoord, zat met je gedachten misschien al elders en besteedt er weinig tot geen aandacht aan en vertrekt. Pas na een eindje stappen dringt het tot je door wat smuikt betekent en wat moeder ermee bedoelde: dat je nat zou worden. Misschien was het wel een verdoken vraag: Kun je niet beter nog wat blijven?

DIEPER LEZEN

Tot zover de letterlijke, oppervlakkige lezing. Maar waar gaat de haiku werkelijk over? Als je hem dieper leest? Gaat hij dan niet over het soms achteloos voorbijgaan aan woorden, waarvan je pas achteraf — soms tot je eigen scha en schande — beseft wat ze betekenen en waarvoor ze werden uitgesproken? Gaat de haiku niet over de nonchalance waarmee we soms met taal omgaan? Met taal en met wat mensen zeggen, ons willen zeggen? Zijn we luie luisteraars en moeten we eerst aan den lijve iets ondervinden voor we het werkelijk begrijpen en geloven? Zoiets?

De kruinen

Het late najaar;
ik kijk nu door de bomen
naar de horizon.

Langs het kanaal in Turnhout staan over zowat de hele lengte bomen. Meestal eiken die al een behoorlijke leeftijd hebben. Zelfs vanuit mijn Zevende Hemel (de 7de verdieping van residentie Belle Fontaine) kijk ik op sommige plaatsen niet over die kruinen. In de zomer vormen ze aan mijn linkerkant een mooi en gesloten scherm, waardoor ik aan die kant helemaal in het groen zit, terwijl er voor mij een vergezicht is en rechts de stad. In de zomer kan ik dus door de dichte kruinen van de eiken aan de linkerkant niet de verte zien.

Maar dan wordt het herfst en verliezen de eiken langzaam en kleurrijk hun bladeren. Beetje bij beetje komen het landschap en de horizon erachter door de kruinen in beeld en kan ik dag na dag wat verder kijken.

DE MENS

Tot daar de letterlijke lezing van deze haiku, op zich al een mooi verhaal. Maar je kunt hem natuurlijk — zoals haast altijd — ook dieper gaan lezen en hem over de mens laten gaan. Over hoe je met ouder worden de dingen langzaam anders gaat zien, dag na dag het ruimere plaatje ontdekt achter de details. Je kijkt steeds vaker door de onbenullige dingen heen en tracht een groter doel te zien. De horizon wordt een belangrijker perspectief dan de kruin voor je neus. Zoiets? Ach, lees maar!

De maan halfweg

Avond langs de stroom;
in het donker nog een eend.
En de maan halfweg.

Boeiend aan deze haiku is vooral wat je tijdens het lezen met de laatste regel doet. Het is wat je een sleutelregel zou kunnen noemen: je kunt er verschillende kastjes in de haiku mee openen en daarin dan andere lezingen vinden. Hoe je de haiku leest, hangt af van het kastje dat je met die sleutel opent. Ik laat je een paar kastjes zien. Aan jou dan om te kiezen.

# Kastje 1: En de maan halfweg. Wil dat zeggen dat naast de eend in het donker ook nog de maan in het water te zien is? En wat betekent in dit kastje dan halfweg? Dat de maan in het midden van de stroom ‘drijft’ en dus al halfweg naar de overkant is? En de eend nog niet? En wat wil dat dan zeggen als je de haiku dieper leest? Toont de maan de weg?

# Kastje 2: En de maan halfweg. Moet je hier halfweg ook lezen als half weg, met de nadruk op die weg? Versterkt de dichter daarmee een gevoel van heengaan? Van iets of iemand die heengaat? Of is het de dichter zelf die heengaat? In het donker? Er lijken daar verschillende elementen op te wijzen: de stroom (niets blijft in en op een stroom ter plaatse), het donker (licht dat weg is), een (weg)drijvende eend en de maan die halfweg is.

# Kastje 3: En de maan halfweg. In dit kastje is halfweg een soort woordspeling voor halve maan. Want inderdaad, bij halve maan zou je kunnen zeggen dat de maan halfweg is. Tweemaal halfweg zelfs: half weg, maar ook halfweg tussen volle en nieuwe maan. Zo gelezen, wordt de blik in de haiku verlegd van de eend op de stroom naar de maan aan de hemel. Wordt op die manier een parallel getrokken tussen de donkere stroom met de eend en de donkere hemel met de maan? Tussen beneden en boven? Tussen het bereikbare en het onbereikbare? Maar zijn ze voor de mens langs de stroom niet even onbereikbaar? Niemand zal het immers in zijn hoofd halen om in het donker in de stroom te springen om de eend te pakken. Zo dichtbij, maar toch zo onbereikbaar. Zoals de maan, die nu zelfs al half weg is. Of halfweg.

Zintuiglijk

Rennen in het park;
jointje, Russisch, een vleermuis
en het zout van zweet.

Haiku zou je ook de poëzie van de zintuigen kunnen noemen. Omdat haiku dé poëzie bij uitstek is die een waarneming schetst en laat zien, voelen, horen, ruiken, proeven. Waarnemen gebeurt per definitie via de zintuigen. Door die zintuigen en het gebruik ervan bestaat de wereld voor ons. Je zou in extremis kunnen zeggen dat wie geen enkel zintuig heeft, ook niet kan bestaan, omdat geen enkele prikkel zou kunnen binnenkomen en er dus niets meer is dat voor het wezen in kwestie bestaat en waarop het kan reageren — zij het door denken, zij het door instinct — en bijgevolg ook zelf niet meer kan bestaan. Denk aan Descartes: Ik denk, dus ik ben. Onze zintuigen zijn in die zin de toegangspoort en het ticket tot het bestaan.

En omdat haiku de poëzie van de waarneming is, is haiku vanzelf ook de poëzie van de zintuigen. In veel haiku’s tref je dus zintuiglijke prikkels aan. Soms zelfs meerdere tegelijk. Zoals ik het in bovenstaande haiku probeerde, zonder de zintuigen uitdrukkelijk te noemen. Door je het tafereel voor te stellen, levendig voor te stellen, gebruik je ook je zintuigen in je gedachten. Wie dat gewoon is, kan dan vaak ook iets zien, ruiken, voelen, enz.

Tijdens het lopen in het park snoof ik dus even de geur van een jointje op, hoorde ik tegelijk en passant een koppel Russisch praten, zag ik in het schemerdonker een vleermuis over het pad vliegen en proefde ik een druppel zweet die van mijn voorhoofd op mijn lippen viel. Stel je daarbij ook het rennen zelf voor en dan voel je misschien ook nog iets. Het is dus een haiku die bijna alle zintuigen tegelijk aan bod laat komen.

De vogel

Wat moet het fijn zijn
niet te weten waarom je
kunt vliegen; vogels.

Kun je deze iet of wat eigenzinnige haiku nog een haiku noemen? Het is altijd een boeiende vraag. Mocht er een stresstest voor haiku bestaan, dan zouden we die test erop kunnen toepassen. Helaas bestaat die niet. Wie meent van wel is niet goed thuis in het grote amalgaam van regels en regeltjes die in de loop van de geschiedenis voor haiku zijn gemaakt. Die wirwar van door de eeuwen heen veranderende regels biedt geen uitkomst. Want het is een doolhof waar je nooit meer uitgeraakt.

Hoe bepalen we het dan wel? Het enige wat misschien een zeker antwoord biedt, is te zoeken naar de kern. De kern van dit korte gedicht en die dan tegenover de kern van haiku leggen. Zijn er voldoende overeenkomsten, dan is het een haiku. Zijn die overeenkomsten er niet, dan is het geen haiku. Maar wat is voldoende? Ach, laat het ons gewoon eens proberen.

Wat zegt dit korte gedicht eigenlijk? Waarover gaat het? Wat valt erin te lezen? Of nog: welk tafereel moet of kun je je erbij voorstellen?

HET TAFEREEL

Iemand (de dichter) staat te kijken naar de hemel, ziet daarin een vogel vliegen en vraagt zich iets af. Aan de toon van de vraag te merken, is zijn gemoed eerder wat somber. Misschien omdat hij met een probleem worstelt en niet goed weet hoe het op te lossen. En dan gaan zijn gedachten naar de vogel en het vrije vliegen van de vogel in die ruime hemel. En hoe gemakkelijk dat schijnbaar gaat. Zijn gedachten vliegen verder en hij bedenkt dat de vogel niet eens weet dat hij kan vliegen. Hij doet het gewoon zonder er zich van bewust te zijn. Ook weet hij niet waarom hij kan vliegen en vraagt het zich nooit af. Waarna de dichter opnieuw over zichzelf mijmert: zou het ook voor hem niet fijner zijn om niet te weten waarom hij iets wel of niet doet? Zou het niet zoveel makkelijker leven zijn? Iemand die weet waarom hij iets doet, is er ook ten volle verantwoordelijk voor. Wie het niet weet, leeft zorgelozer. Zoals de vogel die vliegt zonder zich af te vragen waarom.

Zo gelezen is het gedicht een persoonlijke mijmering bij een op dat moment waargenomen tafereel: een vogel vliegt voorbij. Doordat er sprake is van een eenvoudige waarneming en die waarneming voor een bewustzijn zorgt, zou je kunnen zeggen dat hier sprake is van een haikumoment. Het tafereel speelt zich ook werkelijk en concreet in het nu af en roept een bepaalde emotie op, zonder dat die emotie expliciet is verwoord. Het is aan de lezer om de emotie erin te lezen. Ook dat is eigen aan een haiku.

Zijn dit voldoende overeenkomsten tussen dit gedicht en een haiku? Dat, beste lezer, laat ik graag aan jou over. Wat maakt het trouwens uit of je dit gedicht een haiku noemt of niet? Wat vooral iets uitmaakt, is of je de gedichte gedachte mooi vindt of niet. Ik herhaal ze nog even:

Wat moet het fijn zijn
niet te weten waarom je
kunt vliegen; vogels.

De oude deur

Tijdens een wandeling gisteren zag ik dit beeld. Door de verschillende kleuren had het iets bijzonders en ving het mijn aandacht. Het beeld hield me bezig en uiteindelijk kwam er een haiku van. Die komt er dikwijls van als iets mij een poosje bezighoudt.

Een oude deur in
de oude muur in de herfst.
Ze gaat nog open.

Het is een vrij klassieke haiku, die een aantal boeiende elementen bevat en — what’s in a name — een deur die toegang biedt tot diepere lezingen.

De haiku is om te beginnen trapsgewijs opgebouwd, van klein naar groot, van ingezoomd tot uitgezoomd: de deur, de muur, de omgeving in de herfst. Dat is al een leuk aardigheidje bij het lezen: je zoomt mee uit, verruimt je beeld. Een tweede aardigheidje is de analogie van de beelden die je ziet. Alles is oud, van de deur over de muur tot het jaar. Er is dus harmonie van tijd.

LEZINGEN

Wie dat eenmaal heeft opgemerkt, heeft de deur voor een diepere lezing al op een kier. Want kijk, zou dit beeld van de deur misschien het beeld zijn van een mens in zijn herfsttijd? Al wat ouder dus, maar zijn plek gevonden en in harmonie met alles rondom hem? En meer nog: die deur gaat nog open. Ze werkt nog, heeft nog nut, er kan iemand in en uit, het is een doorgang, ze opent zich nog naar de wereld. Dat soort lezingen dus.

Maar tegelijk zit er ook een duister kantje aan de haiku. Als je nóg wat dieper gaat lezen, valt je misschien ineens die nog in de derde regel op. Die staat daar ook niet zomaar te staan. En hoewel je er letterlijk niet zo makkelijk de vinger kunt op leggen, geeft die nog een zekere tristesse aan de haiku. Alsof er verwacht wordt dat die oude deur niet meer opengaat. Dat legt een laagje somberheid over de haiku: oude dagen zijn misschien toch niet zo leuk. Je valt stil, sluit je, piept en kraakt, schuurt en klemt. Deze oude deur gaat wél nog open. Dat suggereert dus dat er veel oude deuren niet meer opengaan en geeft de haiku een onderhuids gevoel van gelatenheid en wat melancholie. De toon waarop je de haiku leest, kan dat gevoel nog versterken als je wilt.

VARIATIES

Wie nu evenwel het beginbeeld goed heeft bekeken, zag misschien dat de deur niet meer opengaat. Er hangen te veel bramen voor, ze is al een poosje niet meer gebruikt. Deze vaststelling zou dan weer tot nieuwe variaties van de haiku kunnen leiden. Zoals deze hieronder. En lees ze ook maar dieper.

De oude deur in
de oude muur in de herfst.
Veel bramen ervoor.

De oude deur in
de oude muur in de herfst.
Door wildgroei versperd.

De oude deur in
de oude muur in de herfst.
Al lang bleef ze dicht.

Kanaaloever

De kanaaloever.
En zijn mensen die hier iets
aan ’t lijntje houden.

Boeiend aan deze haiku is de vraag welke van de twee mogelijke ‘lijntjes’ je bij het lezen (het eerst) zag? Het lijntje van de hond of het lijntje van de vis? Twee haiku’s dus voor de prijs van één! Bovendien, als je dan dieper graaft, kun je nog een derde lijntje zien.

De liefde

Samen ontbijten.
En dat likje confituur
in haar mondhoekje!

Een van de allermoeilijkste soorten haiku zijn kleine gedichten over de liefde. Haiku is nu eenmaal niet de poëzie van de gevoelens. In een haiku worden gevoelens zo goed als nooit rechtstreeks beschreven, hooguit gesuggereerd. Aan de hand van een herkenbare beschrijving bijvoorbeeld, waarbij jij dan als lezer het gevoel moet vermoeden, lezen, eraan toevoegen.

Een haiku over de liefde is dus niet zo evident. Omdat je liefde op zich niet kunt zien. Je kunt ze hoogstens afleiden uit bepaalde gedragingen, signalen, uitingen.

In de klassieke haikuliteratuur van de oude meesters uit Japan vind je daarom nauwelijks haiku’s over de liefde. Het is dan ook een haast onmogelijke opdracht. Wel is er een bekende liefdeshaiku van Yosa Buson. En het is niet verwonderlijk dat hij van Buson is. Hij was de schilder-dichter en benadert daarom misschien meer dan andere dichters het onderwerp op de enige mogelijke wijze: via een soort schilderijtje dat hij ons voorhoudt en waarin wij dan zijn bewondering voor zijn geliefde moeten zien en lezen:

Geluk in de zon —
de waaier van mijn liefste
is smetteloos wit.

Buson gebruikt hier een sterk beeld om subtiel aan te geven hoe graag hij zijn geliefde ziet. Het is vooral die smetteloos witte waaier die eruit springt en als een soort vreugdekreet van de dichter kan gelezen worden: alles is nieuw, alles is nog mogelijk. En die witte waaier geeft zijn geliefde extra schoonheid. Ja, zo verliefd is Buson!

En nu nog eens de mijne, voor mijn liefste Krishna:

Samen ontbijten.
En dat likje confituur
in haar mondhoekje!