Tevreden

Soms ben ik heel tevreden over mijn eigen haiku. Echt wel! Ach ja, is daar iets verkeerds mee? Nee toch? Het zou eerder andersom erg zijn als ik nooit over mijn gedichten tevreden was. Wat stom van mij dat ik ze dan zou delen, uitgeven, rondstrooien, vermenigvuldigen. Neem nu deze haiku:

Kijk, de eekhoorn brengt
de ene boom wat dichter
bij de andere!

Heerlijk vind ik die zelf! Vooral omdat hij op verschillende manieren te lezen valt en hij je afhankelijk van de manier een ander, mooi tafereel uit de natuur laat zien.

Zo kun je een eekhoorn zien die tijdens zijn winterrust even wakker is geworden (eekhoorns doen dat als het wat warmer is en ze iets willen eten) en langs een tak in de kruin van een boom loopt tot die tak wat vooroverbuigt en op die manier dichter bij een tak van een naburige boom komt. Tot ze elkaar raken en de eekhoorn zo van de ene boom in de andere overloopt. Een mooi beeld vind ik dat. Inhoudelijk mooi (de eekhoorn brengt die twee bomen inderdaad letterlijk dichter bij elkaar) en ook mooi als winters tafereel. Niet?

ANDERS

Maar je kunt hem ook anders lezen, los van een jaargetijde: een eekhoorn gaat met een dennenappel of een okkernoot van de ene boom op een tak van een andere boom zitten om die op te eten. Ook zo brengt de eekhoorn de ene boom dichter bij de andere boom. En tegelijk wéér een mooi tafereel.

Ja, ik ben best wel tevreden over mijn haiku. Daarom lees ik hem nog eens voor u voor:

Kijk, de eekhoorn brengt
de ene boom wat dichter
bij de andere!

Ontwaken

We staan … eh … liggen er nog zelden bij stil: dat het ontwaken eigenlijk iets heel bijzonders is. Er gebeuren op dat moment heel wat ingewikkelde processen in ons lichaam. En daar kan ook altijd iets bij mislopen.

Ik maakte daarover een haiku. Een heel eenvoudige haiku over iets heel ingewikkelds dus. De bedoeling van de haiku is om er even de aandacht op te vestigen. Op het feit dat we iets dat op zich heel bijzonder is heel gewoon zijn gaan vinden. En ik vraag mij af hoe dat idee het sterkst werkt, overkomt: als ik mij laat ontwaken op een regendag, op nieuwjaarsdag of op paaszondag.

Ik denk dat ik voor paaszondag kies. Omwille van de klank. Ik heb het gevoel dat dat woord het meest bijzonder klinkt en dus het bijzondere van het moment van het ontwaken nog net iets meer in de verf zet. En dan vooral het feit dat we dat niet bijzonder vinden. Het bijzondere van paaszondag versterkt met andere woorden het idee dat we dat niet bijzonder vinden.

Ook in regenweer
ervaar ik mijn ontwaken
als iets heel gewoons.
~
Ook op nieuwjaarsdag
ervaar ik mijn ontwaken
als iets heel gewoons.
~
Ook op paaszondag
ervaar ik mijn ontwaken
als iets heel gewoons.

De volle maan

Laat ons nog eens een haiku dieper lezen.

Een heldere nacht;
de volle maan schijnt nu door
mijn halfopen raam.

Op het eerste gezicht is het een wat komische, haast absurde haiku. Of het raam nu halfopen staat of helemaal open, de maan schijnt er altijd door. Ongeacht ook of ze zelf vol, half of maar een sikkeltje is. De tegenstelling waarmee in de haiku wordt gespeeld, is dus maar schijn. Letterlijk zelfs in dit geval.

Maar zoals je ondertussen wel weet: in haiku staat er nooit iets toevallig. Of toevallig zo. En het is net dat absurde dat je dat zegt: opgepast, hier valt meer te lezen dan je denkt, dan je ziet.

LEZING

De haiku begint met een eenvoudige vaststelling: een heldere nacht. En er is een volle maan. Bovendien, zo lees je ook, staat mijn raam maar halfopen. Met welke diepere betekenis zouden deze drie elementen nu te verbinden vallen? De heldere nacht misschien met een helder moment? Een moment waarop je plotseling iets klaar en duidelijk ziet? Als je zo’n helder moment hebt, is soms maar een kleine gedachte (halfopen) nodig om toch een mooie ingeving, iets groots (de volle maan) te beseffen, te ontdekken. Of nog anders gezegd: op heldere momenten krijg je vaak grote ideeën, ook al staat je geest op dat moment maar op een kier. Zoiets?

Te ver gezocht? In haiku mag je altijd zo ver zoeken als je zelf wilt. Zelfs nog ver voorbij de volle maan.

De tijden

Waar een wil is …
Het was de weg
die jij niet vond.

Haiku gaat doorgaans altijd om iets in het nu, in de tegenwoordige tijd dus. Toch kun je voor het schrijven van een haiku soms kiezen tussen de tegenwoordige tijd of de verleden tijd. Meer nog: de keuze bepaalt zelfs in sterke mate de lezing en dus de precieze inhoud.

Neem nu deze tanshuku (verkorte vorm van haiku). Voor het tweede deel kon ik kiezen tussen de verleden tijd of de tegenwoordige tijd. Hieronder de versie met de tegenwoordige tijd. Lees de beide nog eens goed en probeer het grote verschil qua inhoud te lezen, te voelen.

Waar een wil is …
Het is de weg
die jij niet vindt.

Als je beide versies naast elkaar legt met alleen dat tijdsverschil zeggen ze toch elk iets heel anders. In de eerste versie (verleden tijd) is het nog steeds een haiku in het nu: de dichter stelt nu iets vast, namelijk dat iemand de weg niet vond. Dát is wel voorbij, maar de vaststelling (en dus de haiku als dusdanig) speelt zich in het nu af. De dichter lijkt naar iets te kijken dat hem dat vertelt. Wat of wie hij ziet, mag de lezer zelf invullen. Maar er is duidelijk iets gebeurd en het lijkt onvermijdelijk. Daar wijst die verleden tijd namelijk op: het is voorbij, de weg is niet gevonden. De sfeer van de tanshuku is somber. Het lijkt onomkeerbaar, de weg is niet gevonden en dus ook niet bewandeld, jij ging een andere kant op.

HOOP

De versie met de tegenwoordige tijd van vinden heeft een duidelijk andere toon en de sfeer is nog hoopvol. Want het zoeken lijkt nog volop bezig. Daar wijst die tegenwoordige tijd op, het vinden is nog mogelijk, nog aan de gang, de weg is tot nu toe alleen nog niet gevonden, maar het kan nog. Het is misschien slechts een kwestie van standpunt, van kijken, van willen, van zien: De weg die jij niet vindt. Maar wie weet, als je nóg een keer probeert, eens elders kijkt misschien, je bril opzet. Uit de eerste versie spreekt verslagenheid, uit de tweede hoop, een haast immens verschil in gevoel en dat alleen door de keuze tussen verleden tijd of tegenwoordige tijd.

De 17 …

Mag ik het nog eens hebben — ja, ik mag dat, ik mag hier alles — over de regel van de 17 lettergrepen voor een haiku. Over het wel of niet strikt volgen van die regel. Ik ben zelden de persoon die de regels boven de schoonheid plaatst. Zelfs zogenaamde taalfouten die een zin, gedachte of gedicht mooier maken dan zonder die fout, kan ik onmogelijk ‘fouten’ noemen. Verwijt mij dus nooit een regelneef te zijn. Dat ben ik allerminst.

Die 17 lettergrepen dus. Daar hou ik mij tot nu toe nog steeds strikt aan vast. En ik besef — ken uzelf! — dat er een tijd kan komen dat ik die regel die ik mezelf opleg, laat varen. En nee, ik sla niemand in de ban die de regel niet volgt. Poëzie gaat immers niet om regels, maar om schoonheid. Ieder moet dus voor zich uitmaken hoe hij of zij die schoonheid het best dient. Maar zelf pas ik de regel na meer dan zevenduizend haiku’s nog altijd strikt toe. Ik wil hier nog even zeggen waarom. Niet om andere dichters te overtuigen het ook te doen, nee, gewoon als verklaring waarom ik het doe. Want ik doe het niet omwille van die regel zelf, wel omwille van de haiku.

VOLKSVERMAAK

Eerst en vooral wil ik nog even in herinnering brengen dat haiku in oude tijden in Japan ooit ook een volksvermaak was, een spel dat men vaak samen speelde tijdens feesten of bijeenkomsten. En bij een spel horen spelregels. Anders is er niets aan. Voor mij hoort het zoeken naar een vooraf vastgelegd aantal lettergrepen bij dat spel, is het een onderdeel van het amusement, van het spelen. En of het er nu 12, 15 of 17 moeten zijn, maakt mij niet uit.

Ik ben er trouwens óók nog altijd van overtuigd dat we bij het ‘overbrengen’ van de haiku naar het Westen een fout hebben gemaakt door de 17 Japanse fonemen (een foneem is de tijdsduur van een klank) klakkeloos om te zetten in 17 lettergrepen. Een Nederlandse lettergreep heeft immers een heel wisselende tijdsduur, vaak ook langer dan een Japanse foneem. Denk maar aan het woord herfst. En schol duurt veel langer dan ik, ook al is dat voor ons telkens één lettergreep maar. Westerse haiku’s hadden om die reden minder lettergrepen mogen tellen dan 17. Daarover had ik het al bij de introductie van mijn nieuwe vorm van haiku, de tanshuku, die volgens mij dichter de oorspronkelijke Japanse haiku benadert dan onze huidige Westerse vorm met de 17 lettergrepen.

Maar goed, de afspraak is 17 en dus zal het 17 zijn voor een Westerse haiku als onderdeel van het spel, een zelf opgelegde spelregel om het voor mezelf plezanter en uitdagender te maken.

DIEPER

Maar ik heb nóg een heel goede reden om mij aan die zelf opgelegde verplichting te houden. En het is vooral daarover dat ik het nog even wilde hebben. Met een mooi voorbeeld van een haiku die ik gisteren maakte.

Die verplichting om mij aan 17 lettergrepen te houden en bovendien ook vrij netjes verdeeld over drie regels van 5-7-5 lettergrepen zonder al te gekke splitsingen (vroeger keek ik daar iets minder naar dan vandaag) zorgt er bij mij vaak voor dat ik nog beter over mijn haiku ga nadenken en verplicht word om niet snel tevreden te zijn. Het niet meteen lukken van die 17 lettergrepen doet mij langer bij de inhoud en het onderwerp van de haiku stilstaan en zorgt er niet zelden voor dat ik het idee nog beter tracht te formuleren. Lettergrepen te veel of te weinig maken dat ik opnieuw moet kijken, opnieuw moet formuleren, anders moet formuleren, woorden moet schrappen of bijkomende woorden moet zoeken. En net die zoektocht maakt dat de haiku vaak mooier en beter wordt, rijker. Ik illustreer het zoals beloofd met een voorbeeld:

De hele nacht lang
stil aan gewerkt, aan haar web.
En dan een bromvlieg.

Mijn eerste versie van gisteren ging zo:

De hele nacht lang
gewerkt aan haar spinnenweb.
En dan een bromvlieg.

Toen ik de haiku vanmorgen herlas, was ik nog niet helemaal tevreden. Ik zou het mooier vinden, dacht ik, als er stond aan gewerkt. Dus: De hele nacht lang / aan gewerkt, aan haar spinnenweb. Maar dan had ik een lettergreep te veel in de tweede regel. Bovendien vond ik ook nog dat spinnenweb niet echt het beste woord was. Die spinnen waren er net iets te veel aan. Beter zou het klinken en voelen met alleen web. Zo dus:

De hele nacht lang
aan gewerkt, aan haar web.
En dan een bromvlieg.

Maar dan had ik in de tweede regel een lettergreep te weinig! Zucht. Ja hoor, door mij de verplichting van de 17 lettergrepen op te leggen, heb ik ook al héél vaak gevloekt en mezelf verwenst. Deed ik het niet, mij de 17 opleggen, dan zou ik wellicht op dit punt zijn gestopt. Want zo voelde de haiku voor mij als af. Zou ik dan nu misschien die regel dan toch maar niet opgeven?

Een regelneef ben ik niet, maar wel een koppigaard. Nee dus! Ik gaf niet op.

CONTRAST

En dan plots, door de zoektocht naar een goede zevende lettergreep voor de tweede regel en door mij daardoor het tafereel nog eens heel intens en levendig voor te stellen, vond ik nog iets moois dat én aan de regel van de 17 voldoet en voor mij de haiku nog mooier en rijker maakt. Want wat zag ik door het lange overpeinzen ineens? Of beter: wat hoorde ik ineens? Het grote contrast tussen de complete stilte waarmee een spin haar web weeft en het luide gegons van de bromvlieg. Zo kwam er in de haiku een bijkomend mooi en zinvol contrast, dat meteen ook de haiku nog dieper maakte: niet alleen ontstond er het mooie klankbeeld van de fragiele stilte van het maken van het web tegenover het luide gegons van de lompe vlieg, je kon er nu ook in lezen dat fragiele dingen vaak in alle stilte worden gemaakt en dat wie luid roept vaak lomp is en dingen kapotmaakt. Bijvoorbeeld.

Ja, ik hou het voorlopig echt nog wel bij die verplichting van 17 lettergrepen!

De hele nacht lang
stil aan gewerkt, aan haar web.
En dan een bromvlieg.

Paadjes

Gisteren passeerde ik tijdens een wandeling een grote plas waarop een paar eenden dreven. Toen ik even later langs dezelfde plas terugkeerde, lagen ze op een heel andere plek op de plas. Toen vroeg ik mij af:

Volgen de eenden
op de vijver
ook een pad?

Het is een tanshuku waarin je zelf nog lang kunt verdwalen, afhankelijk van het pad dat je erin volgt.

Zouden eenden paadjes op het water zien? En zo ja, volgen ze die dan? Of is dat iets typisch menselijks? Dat wij paden willen volgen en het dan soms moeilijk hebben om ervan af te wijken of raar opkijken als iemand anders er wel van afwijkt? Hebben eenden het dan zoveel makkelijker dan wij als zij geen pad zien en dus moeten volgen? O ja, dacht ik nog, ook reeën volgen doorgaans altijd een pad, hetzelfde pad. Stropers maken daarvan dan gebruik om een ree te strikken door aan een vaste doorgang langs hun pad een soort zelfaanspannende galg te hangen.

Ja, lees maar. Het zijn maar twaalf lettergrepen, maar vanavond heb je de tanshuku misschien nog niet eens uitgelezen.

Blauwe hemel

Herfst; door de wolken
nog de blauwe hemel zien.
Voor de avond valt.

Een heel eenvoudige haiku waar je nog veel kanten mee uit kunt. Er is vooreerst het zichtbare tafereel: je maakt in de latere namiddag een herfstwandeling, kijkt op een bepaald ogenblik naar boven en ziet tussen de bewolking nog plekken blauw. Maar een soort van gulden regel bij haiku is dat hoe eenvoudiger hij op het eerste gezicht lijkt, hoe dieper je hem kunt lezen. De eenvoud is vaak een soort tip: lees maar, lees maar verder, dieper, er zit meer achter dan je denkt.

DIEPERE LEZING

Wie aan de diepere lezing begint, merkt al snel dat de haiku vol symbolische woorden zit: herfst, wolken, blauwe hemel, avond, valt. Het zijn stuk voor stuk ankerwoorden om even aan te leggen en ze binnen het geheel een diepere betekenis te geven. Herfst zou hier kunnen verwijzen naar een bepaalde periode in het leven, na de zomer dus. Herfst zou je kunnen vervangen door Je wordt al wat ouder. En dan gaat de haiku verder met wolken. Zijn dat de onaangename, verduisterende akkefietjes, kwaaltjes, ongemakken die bij het ouder worden steeds vaker optreden?

Toch is er nog blauwe hemel. Hoeveel mag je zelfs als lezer zelf beslissen: de schone dingen van het ouder worden, de rust die je vindt, het misschien makkelijker klaar zien, meer openheid, enz. Maar je beseft tegelijk dat op een dag de avond valt. Een verwijzing naar de nakende dood? Maar er staat voor de avond valt. Er is dus het besef dat er nog tijd is, een besef van het nu ook, dat je nú de mooie dingen moet opmerken, de blauwe hemel moet zien. Want als het avond is, is het donker en kún je die blauwe hemel niet meer zien. Op die manier wordt de haiku ook een boodschap: leef nu, stel niets uit, heb nú aandacht voor de blauwe hemel door je wolken.

Mezelf

Staande op de brug
geef ik mezelf stroomafwaarts
met de rivier mee.

Hoe letterlijk mag of moet je een haiku lezen? Doorgaans mag je hem vrij letterlijk lezen. Om te beginnen. Dan lees je de eerste laag, de schets van het tafereel of de gebeurtenis. Dan zie je het beeld, de kleur en de verflaag van het schilderij.

Bij deze haiku ligt dat enigszins anders. Deze lees je beter niet al te letterlijk. Want als je dat doet, zou je een haiku over zelfdoding kunnen lezen. Het valt niet uit te sluiten, maar als de haiku de neerslag is van iets wat gebeurde, dan zou het vreemd zijn dat ik het achteraf nog opschreef. Niet? Je voelt dus aan deze haiku wel dat het mij niet om die letterlijke betekenis te doen is en je mezelf in de haiku anders moet lezen. Eerder metaforisch: mezelf als de samenvatting van alles wat ik ben, hoe ik mezelf zie, wat ik denk, wat mij bezighoudt.

FIGUURLIJK

Zo gelezen is het een haiku van iemand die bovenop een brug staat en starend naar de traag voortvloeiende stroom zijn gedachten laat afdrijven. Met de stroom mee. Misschien omdat hij ze kwijt wil? Misschien omdat hij in de verte een antwoord hoopt te vinden? Misschien omdat bepaalde dingen eens vanuit een ander perspectief te zien? Die mezelf is hier dan een figuurlijke mezelf.

Kortom: niet altijd betracht de dichter een letterlijke lezing van zijn haiku en voel je meestal wel aan de sfeer of aan bepaalde woorden of hij een andere lezing verwacht.

Smuiken

Het smuikt, zei moeder.
Al doornat als ik begrijp
wat ze bedoelde.

Een relatief eenvoudige haiku: je bent bij moeder op bezoek en net voor je te voet weer vertrekt, kijkt ze door het raam en zegt dat het smuikt. Je hebt het maar half gehoord, zat met je gedachten misschien al elders en besteedt er weinig tot geen aandacht aan en vertrekt. Pas na een eindje stappen dringt het tot je door wat smuikt betekent en wat moeder ermee bedoelde: dat je nat zou worden. Misschien was het wel een verdoken vraag: Kun je niet beter nog wat blijven?

DIEPER LEZEN

Tot zover de letterlijke, oppervlakkige lezing. Maar waar gaat de haiku werkelijk over? Als je hem dieper leest? Gaat hij dan niet over het soms achteloos voorbijgaan aan woorden, waarvan je pas achteraf — soms tot je eigen scha en schande — beseft wat ze betekenen en waarvoor ze werden uitgesproken? Gaat de haiku niet over de nonchalance waarmee we soms met taal omgaan? Met taal en met wat mensen zeggen, ons willen zeggen? Zijn we luie luisteraars en moeten we eerst aan den lijve iets ondervinden voor we het werkelijk begrijpen en geloven? Zoiets?

De kruinen

Het late najaar;
ik kijk nu door de bomen
naar de horizon.

Langs het kanaal in Turnhout staan over zowat de hele lengte bomen. Meestal eiken die al een behoorlijke leeftijd hebben. Zelfs vanuit mijn Zevende Hemel (de 7de verdieping van residentie Belle Fontaine) kijk ik op sommige plaatsen niet over die kruinen. In de zomer vormen ze aan mijn linkerkant een mooi en gesloten scherm, waardoor ik aan die kant helemaal in het groen zit, terwijl er voor mij een vergezicht is en rechts de stad. In de zomer kan ik dus door de dichte kruinen van de eiken aan de linkerkant niet de verte zien.

Maar dan wordt het herfst en verliezen de eiken langzaam en kleurrijk hun bladeren. Beetje bij beetje komen het landschap en de horizon erachter door de kruinen in beeld en kan ik dag na dag wat verder kijken.

DE MENS

Tot daar de letterlijke lezing van deze haiku, op zich al een mooi verhaal. Maar je kunt hem natuurlijk — zoals haast altijd — ook dieper gaan lezen en hem over de mens laten gaan. Over hoe je met ouder worden de dingen langzaam anders gaat zien, dag na dag het ruimere plaatje ontdekt achter de details. Je kijkt steeds vaker door de onbenullige dingen heen en tracht een groter doel te zien. De horizon wordt een belangrijker perspectief dan de kruin voor je neus. Zoiets? Ach, lees maar!