De stroom IV

Een avond van brug naar brug langs de stroom gewandeld, even op een bankje op de kaai gezeten, de kleur en taal van stemmen geraden, de plezierboten bekeken, het kanaal in gedachten afgevaren, een waterhoentje bracht mij terug.

Ook in het donker
springt een vis uit het water.
Wat anders was het?

Hoe is jóúw toekomst?
Op ’t jaagpad of in ’t kanaal?
Vallende eikels.

Twee grijze zwanen,
daar drijvend naast één witte.
En zij slapen al.

Kaai lekker, staat er.
Broodjeszaak op de kade.
En in ’t dialect.

Boten aan de kaai,
wachtend op het omkeren;
starend naar de stad.

Een waterhoentje
loopt de hele steiger af!
Pletsende pootjes.

Bankjes langs de kaai;
en samen de taal en kleur
van stemmen raden.

Turken, Afghanen,
Congolezen en ook wij.
Zittend op de kaai.

Boten afgemeerd,
effen gestreken de stroom.
Alleen nog eenden.

Nog één keer een ploep;
slaap nu maar vis, slaap nu maar.
Ook wij gaan onder.

De stroom III

Over het kanaal in Turnhout is er een mooie fiets- en wandelbrug gespannen. Met de haast exotisch klinkende naam Turnhout Canal Bridge. Het is een moderne brug die ’s avonds is verlicht met aan de ene kant blauwe ledlichten, aan de andere kant groene.

We steken op de brug het kanaal over en zijn getuige van een vreemd schouwspel: aan weerszijden van de brug hangen grote spinnenwebben, fel verlicht door de blauwe en groene ledlichten. Tientallen spinnen zijn er druk in de weer. Ze herstellen hun webben, hallucinant beschenen — doorgelicht zelfs — door de felle leds. Alsof het fluoriscerende spinnen zijn. Extra creepy, maar een prachtig tafereel, een tableau vivant en een drukte van jewelste. Vliegjes en motten, aangetrokken door de lichten, vliegen voortdurend in de webben, waardoor de futuristisch ogende spinnen haast niet weten waar eerst naartoe te rennen over hun zijden fluodraden.

Dit zijn de spinnen van de nacht. Ze slapen wellicht overdag. Het is in het donker een fantastisch schouwspel. Het lijkt sciencefiction. Of Halloween. En dit elke nacht! Hier kun je er twee zien: de nachtspinnen.

Spinnen in ledlicht
in hun webben aan de brug.
Dag en nacht werken.

Een blauwe ledspin
herstelt een web aan de brug.
Tijdens haar nachtshift.

Spinnen aan de brug,
’s nachts in blauw en groen ledlicht.
Altijd Halloween.

Overdag amper,
’s avonds door ledlicht gekleurd!
Spinnen van de nacht.

De stroom II

Niets zo mooi als een stad met een stroom. Water dat van elders komt en water dat naar elders vloeit. Nooit één ogenblik hetzelfde water. Vandaag neem ik je mee langs zo’n stroom: het kanaal in Turnhout. We maakten langs die stroom, op het jaagpad, een wandeling in het donker. Heerlijk!

DE WANDELING

Wijl in de verte het kleurige schijnsel van de jachthaven de stroom een feëerieke aanblik geeft, vallen rondom ons eikels met een donkere ploep in het water van het kanaal. Wat verder bewegen donkere silhouetten op de oever. En we horen stemmen. Vissers zo laat nog? Op het water zien we twee kleurige lichtjes deinen. Dobbers in de vorm van lampjes, kleine, drijvende lampionnetjes. Zo grappig! Als we de vissers passeren, zeggen ze vrolijk goeieavond en raken we even aan de praat. Slapen de vissen dan nog niet? Nee, hoor! We leren dat de vissers met de kleurig verlichte dobbers naar snoek vissen. Andere vissers hebben een dobber die op de bodem ligt. Hengelend naar karper die ook nog in het donker de bodem afschuimt. Maar hoe weet je dan dat je beet hebt? Een visser wenkt ons naar zijn hengel en trekt even aan een draadje. Meteen horen we een digitale ‘piep’. Een hightechhengel! zeg ik. Een hightechhengel! beaamt de visser breed lachend. Haast schreef ik hightechengel. Met een onzichtbare hand. Schol! roepen ze nog, wijl ze ons met hun blikje in hun vuisten uitzwaaien.

Een wandeling in het donker langs het kanaal, langs onze stroom. Heerlijk!

De late vissers,
silhouetten langs de stroom.
Geluid van blikjes.

Vissers in ’t donker,
luisterend naar het water.
Geen dobber te zien.

Verlichte dobbers,
deinend op donker water.
De late vissers.

Hun dobber verlicht,
al feest nog voor het vangen!
Vissers in ’t donker.

Stemmen langs de stroom;
de vissers in het donker
zijn nog lang niet thuis.

De waaier

Tijdens de zomer heb ik in het Huis op mijn schrijftafel een handwaaier liggen. Van mijn geliefde. Af en toe wuif ik ermee. Mij wat wind en liefde toe.

De handwaaier is al oud. In Japan, tijdens de Edoperiode (1603-1868) werd hij vaak kunstzinnig beschilderd en groeide hij uit tot grote kunst. Maar niet alleen kunst. De handwaaier was ook een manier om stiekem te communiceren, tekens te geven. Hij speelde zelfs een rol in het spel van het verleiden. Vrouwen konden er discreet signalen mee sturen, geheime boodschappen doorgeven. Door de stand van de waaier of wat een vrouw ermee aanraakte, kon je zien wat ze wilde.

Hield een vrouw de waaier tegen haar rechterschouder, dan wist je: ze moet mij niet. Raakte ze met de waaier haar rechteroog aan, dan wilde ze zo snel als het kon een afspraakje. Bedekte ze er beide ogen mee, dan zei ze: Ik hou van jou. En drukte ze de waaier tegen haar linkeroor, dan gaf ze jou te kennen dat je haar geheimpjes voor jezelf moest houden.

De waaier hier in het Huis inspireerde mij tot deze haiku:

Met de handwaaier
van mijn lief wuif ik mij haar
en wat koelte toe.

En dan kun je natuurlijk nog andere versies en variaties maken, die je diep, dieper, het diepst kunt lezen:

Met de handwaaier
van mijn lief, zachtjes wuivend
een zijden briesje.

Met de handwaaier
van mijn lief wuif ik mezelf
vannacht koelte toe.

De morgenstond

Waar ’s avonds de kraai
gaat zitten, zie ik hem nooit
’s morgens vertrekken.

En kijk je ook even mee door het raam van de Huiskamer en de Kitchin naar de felle zonsopgang vanmorgen? Daar kijken we van hoog uit op een mooi stukje natuur, met oude bomen en in de verte ook enkele dode sparren, waar ’s avonds vaak een kraai in landt om er te slapen op een hoge, dode tak. Maar kijk, vanmorgen was de kraai al weer weg, ook al was ik hier héél vroeg.

De avondval

Avond en de stad
staat zijn kleuren weer af voor
de dag van morgen.

Van alles wat was,
resten nog slechts de kleuren.
De avondhemel.

Vanuit de Stille Ruimte van het Huis van de Haiku hebben we zowat elke avond een fantastische avondval. De zon gaat er namelijk lang en breed onder. Het uitzicht met het oude klooster, de den en tussen de bomen ook nog klein de kerktoren is op zich al mooi. Maar als dan de kleuren errond intens geel, oranje, rood en nog later roze worden, krijgt het geheel iets sprookjesachtigs. Terwijl onderaan alles donkerder en donkerder wordt, lijkt het wel alsof de stad zijn kleuren afstaat en ze aan de hemel worden verzameld om er morgen weer iets moois van te maken. Altijd anders, altijd opnieuw.

Kijk je even mee door ons raam (klik op een foto voor een volgende)?

Helikoptertjes

Door het raam van onze Huiskamer in het Huis van de Haiku kijk ik recht op een inmiddels imposante esdoorn, waaraan heel veel vruchtjes hangen. Ze geven de boom een gele tint tussen de groene bladeren. Eerder, veel eerder dit jaar, schreef ik over die esdoorn deze haiku:

De esdoornfabriek;
nieuwe helikoptertjes
al in productie.

Nu — maanden later — was het tijd voor een nieuwe haiku:

De esdoornfabriek;
nieuwe helikoptertjes
nu klaar voor take-off.

De zaden van de esdoorn — de zogenaamde helikoptertjes — worden laagje voor laagje gebouwd in een ingenieus fabriekje. Ingenieus, want ze zijn zo ontworpen dat ze tijdens het vallen gaan ronddraaien en een opwaartse kracht produceren. Daardoor vallen de zaden veel trager dan ze normaal zouden doen. Door trager te vallen, is de kans groter dat ze door een briesje worden opgepikt, zelfs opgetild en een eindje van de moederboom vandaan kunnen landen. Daar is de concurrentie met andere esdoornzaden minder groot en kunnen er aan het eind van de rit, eh, vlucht meer bomen ontkiemen. Geniaal toch?

Tijdcapsules

Dingen zijn dingen. En toch. En toch zijn ze soms meer dan alleen maar die dingen die dingen zijn. Het zijn soms tijdcapsules. Je weet wel, van die dozen of blikken waarin men spulletjes stopt en die dan ergens opbergt om jaren later terug te vinden.

Zo is mijn oude verrekijker (een Oeral uit de voormalige USSR) uit mijn tienerjaren een heel bijzondere tijdcapsule. Ik vind er niet alleen alle zeldzame vogels in terug die ik er ooit mee zag, ik kan er ook mee terug in de tijd kijken en die zelfs een heel klein beetje opnieuw beleven. Onze winterse wandelingen om en rond de Westerschelde en het Veerse Meer bijvoorbeeld. Turend over de slikke en schorre. Ik rúík en hóór ze zelfs even opnieuw! Of de zomerkampen in Torgny, waar ik zoveel nieuwe roofvogels leerde kennen. En die zitten daar nog allemaal in!

Mijn verrekijker
van toen ik naar vogels keek.
Ik zie de kluut weer!

Mijn verrekijker …
Al die vogels er nog in.
Ik zie de wouw weer!

Veerkracht

Ze valt mij altijd weer op: de veerkracht van de natuur. In de tuin van het Huis van de Haiku staan een aantal teunisbloemen die hoog zijn opgeschoten. De felle regenbuien met af en toe hevige wind deden mij het ergste vrezen. De planten zwiepten heen en weer, knikten en kletsten tegen elkaar. De gele bloemen waren nauwelijks nog zichtbaar en ik vreesde voor het knakken.

Maar zie: ze staan alweer fier rechtop en lijken zelfs feller en krachtiger te bloeien dan voorheen. Iedere avond een paar prachtige bloemen!

Ook na de stortbui
gaan ze vanavond open.
De teunisbloemen.

De teunisbloemen

In de wilde tuin van het Natuurpunt Museum en ons Huis van de Haiku staan in de buurt van de waterpoel een aantal teunisbloemen. De teunisbloem is een bijzondere plant met felgele bloemen die in een aar omhoog groeien en bloeien.

Het bijzondere eraan is vooral dat ze pas ’s avonds volledig opengaan. En vrij spectaculair: de knoppen ontvouwen zich in enkele minuten tot bloemen. En elke avond maar een paar bloemen, die slechts één nacht bloeien. De volgende dag verwelken ze.

Ik kijk door het raam en zie ze ook vanavond aan de poel staan én opengaan. Nu het al goed schemert, lijken ze steeds geler en feller te worden, no matter wat er vandaag wel of niet is gebeurd.

Een avond die valt.
En wéér de teunisbloemen.
Ik kijk er lang naar.