Haiku

Ik twijfel. De eerste is een klassieke haiku, de tweede is speelser en met wat meer fantasie. Het is als kiezen tussen Bashõ of Issa.

Tussen schelpen ook
gebroken krabbenpootjes
op de golfbreker.

Over de stenen
van de golfbreker braken
krabben hun pootjes.

Onsterfelijk

Ik keek naar de schier volle maan en dacht ineens aan een recent bericht in de krant over een onderzoek naar het aantal mensen dat nodig zou zijn om de planeet mars bewoonbaar te maken, te koloniseren dus. Nooit eerder besefte ik met zo‘n grote zekerheid dat dit binnen onafzienbare tijd ook echt wel zou gebeuren. Dat er lang na mijn tijd mensen op mars zouden wonen en er doodgewone dingen doen. En terwijl ik naar de schier volle maan keek, vroeg ik mij af:

Warme zomernacht;
zou ooit iemand op de maan
mijn gedicht lezen?

Het is een haiku waarin je veel kunt lezen. Het is een haiku die de vraag stelt of we ooit de aarde zullen verlaten om elders in het heelal — op de maan, op mars — ons leven voor te zetten en er net zulke dingen te doen als we hier nu op aarde doen. Zoals het lezen van poëzie bijvoorbeeld. In een zeteltje voor een raam met uitzicht op de aarde.

Maar het is ook een haiku met de vraag of — en zo ja hoelang — ik in mijn poëzie nog zal voortleven. Want er staat niet een gedicht, er staat mijn gedicht. Zal dat zo lang zijn dat men ergens op de maan of op mars ook nog mijn gedichten leest? Een vraag waarin tegelijk grote twijfel voelbaar is.

Of gaat de haiku alleen maar over het niet kunnen slapen ’s nachts, omdat allerlei vragen, soms banale vragen, mij bezighouden? En dat ik daarom midden in de nacht naar de schier volle maan zit te kijken?

Colijnsplaat

En ook in Colijnsplaat gaan niettegenstaande de vertraagzaamheid de dagen voorbij. Dagen vol zee en wind, vol meeuwen en visdiefjes, vol riet en karekiet, vol natuur en eindeloze vergezichten vanop de dijken. Turend over de weiden, akkers vol uien, het koren en het papaverveld. Een dagboek in haiku.

Al die wimpeltjes
langs de kant in de bermen!
Welkom in Zeeland.

Als zelfs de wol in
plukken van de schapen waait.
De Oosterschelde.

Hoor ze eens klagen,
die zeilboten in de wind!
Het wachten duurt lang.

Zilveren visjes
in de lucht boven de zee.
En de visdiefjes.

Een scholekster vliegt
door de hoofdstraat van het dorp.
Dit moet Zeeland zijn.

Met rode knieën
en een zonnehoedje fietst
een man de dijk af.

Achter wat helmgras
trekt ze haar broek alweer op.
Een man houdt de wacht.

De Oosterschelde,
het schuim al op de lippen,
raakt niet uitverteld.

De Oosterschelde,
je kunt blijven luisteren.
Eindeloos eiland.

Hm, het koolzaadveld
in de warme westenwind.
Hmmm, dat koolzaadveld!

En de karekiet;
had hij mooiere kleren,
hij liet zich wél zien.

Kleine karekiet,
geen wind blaast hem uit zijn riet.
En eindeloos lied.

En over de dijk …
Ja hoor, ze ligt er nog steeds.
De Oosterschelde.

Eb; en ginder ver
roepen meeuwen dat ze nog
aan de grond kunnen.

Bloemen! zegt moeder.
Opium, antwoordt vader.
Het papaverveld.

Na de middag spreekt
een kikker de karekiet
voortdurend tegen.

Hoog aan de hemel,
één enkele meeuw; ze slaat
dit eiland over.

Het is een paaltje!
Nee, een buizerd! Een paaltje!
Natuurwandeling.

Kleine karekiet,
altijd weer leest hij hardop
het hele riet voor.

De torenvalk vliegt
telkens drie paaltjes verder.
Ze kan goed tellen.

Kleine karekiet;
met zo’n praatjes zou ik mij
ook niet laten zien.

Hij wijst en zij kijkt.
En hij wijst weer en zij kijkt.
De verrekijker.

Eb; waar gaan ze toch
telkens met dat water heen?
De Oosterschelde.

Een bootje verlaat
nog laat de haven, wankelt
alleen de zee op.

Avond, de visdief
haalt het laatste visje uit
de Oosterschelde.

En ook zij legde
zich vanavond te rusten.
De Oosterschelde.

Jobun

Het jaarlijks terugkeren naar onze vakantieplek.

Het nieuwe weerzien
is altijd een oud weerzien.
Weer niets veranderd.

Merk op hoe het prescript in deze jobun bepalend is voor de lezing. Het zou immers evengoed een haiku kunnen zijn over het weerzien van een oude vriend. Zonder het prescript is de haiku dus veel ruimer te lezen. Het is aan de dichter om te bepalen of hij hem wel of niet concreter wil láten lezen en er dus wel of niet een jobun van maakt. In dit geval dus wel.

Nieuw: de jobun

Sommige op zich mooie haiku’s zijn niet op hun werkelijke schoonheid te lezen of te begrijpen als je niet een kleine hint krijgt. In het verleden, in de oude Japanse publicaties, werden haiku’s vaak binnen een bepaalde context gepubliceerd. Denk maar aan de vele haiku’s van Bashõ, die in zijn reisverslagen verschenen tussen proza en pas later als min of meer zelfstandige verzen tot ons kwamen. Daarom worden vele nog steeds voorzien van wat commentaar uit die reisverslagen. Omdat ze anders iets lijken te missen. Ook haiku’s van andere haikumeesters kregen in hun publicaties vaak een begeleidend zinnetje van de dichter, door R.H. Blyth prescript genoemd.

Eenmaal ik het waarom van die prescripts besefte, zag ik ineens nieuwe mogelijkheden door ook vandaag weer bepaalde haiku’s van zo’n kort prescript (enkele woorden maar, hooguit één zin) te voorzien, waardoor ze een hint meekrijgen om ze makkelijker en vooral dieper te kunnen lezen. Dat prescript behoort dan eigenlijk tot het geheel van de haiku. Ik gaf dat concept een nieuwe naam: jobun. Een beetje naar analogie met haibun: een korte prozatekst, uitgebreid met één of meerdere haiku’s.

Hierbij een eerste poging om zo’n jobun (klik voor een ruimere beschrijving) te schrijven en dus de haiku door een kort prescript een meer concrete, juistere of rijkere betekenis te geven.

Nadat ik had gehoord dat mijn vriend zou sterven.

De stroom vertelt mij
wat ik niet meer horen wil.
Al heel de dag lang.

Zonder het prescript zou je maar wat in het duistere water van de haiku zitten staren zonder goed te weten wat ermee aan te vangen. Het prescript geeft hem zijn zinvolle betekenis, zijn ontroering en dus zijn poëzie. Niet?