Het splitsen

Gezien wij in onze taal niet het concept en de metriek van moren (tijdsduur van een klank) kennen zoals dat in de Japanse taal wel het geval is, blijft het splitsen van een haiku in drie regels bij ons meer een kwestie van afspraak, aanvoelen of vormgeving dan van ritme. Maar zelfs een min of meer algemeen aanvaarde regel daaromtrent is niet arbitrair.

Zo wordt bijvoorbeeld algemeen gesteld dat we een lidwoord of een bezitttelijk voornaamwoord liever niet scheiden van zijn zelstandig naamwoord (de trommel of zijn trommel bijvoorbeeld). Maar vooral dat laatste (de regel omtrent het bezittelijk voornaamwoord) moet je voldoende flexibel hanteren. Zo bijvoorbeeld in deze haiku:

Salut les enfants!
Vader, hij zit weer in zijn
Franse periode.

Wordt de informele regel over het bezittelijk naamwoord hier toegepast, dan zou die zijn bij Franse periode moeten blijven. Maar bij het lezen krijg je dan een lichtelijk ander en naar mijn gevoel minder goed accent. Die Franse periode komt min of meer als een verrassing en klinkt binnen de haiku het mooist als die dan ook na een minimale pauze na zijn wordt uitgesproken. Probeer eens? Niet? Door zijn hier te scheiden van Franse periode wordt die minimale pauze vanzelf bekomen.

Dezelfde niet hetzelfde

In het Heuvelland kwam ik voorbij een rijp korenveld en er vloog net dan een koolwitje uit tevoorschijn. Ik maakte over dat ene beeld drie verschillende haiku’s. De drie haiku’s beschrijven eigenlijk op dezelfde manier hetzelfde tafereel, maar toch zijn ze qua lezing heel verschillend. Alweer die bijzondere magie van haiku! Lees jij de verschillen in dezelfde haiku?

Maar koolwitje toch,
koolwitje toch, vloog je door
heel dat korenveld?
~
Maar koolwitje toch,
fladderde je heel alleen
door dat korenveld?
~
Maar koolwitje toch,
geraakte je heel alleen
uit dat korenveld?

De teek

Wat baat haar schoonheid
als je ze toch moet mijden?
Hoogzomer, de teek.

Gaat deze haiku over een teek? Ja natuurlijk, dat staat er toch? Nee, natuurlijk niet! Waarom zou ik een haiku over een teek maken? Waarover gaat deze haiku dan wel? Dieperliggend over de relatie schoonheid-goedheid. Of beter: het niet bestaan van die relatie. Het is immers niet omdat iets mooi is, dat het vanzelf ook goed is. De schoonheid van dingen en mensen is geen waardemeter voor de goedheid ervan. Maar hoe vaak laten we ons daardoor niet misleiden?

VRAAG

De haiku wil je dus wijzen op het losstaan van schoonheid en goedheid. Door dat als een vraag te formuleren, zegt de haiku tegelijk ook dat we dat op zich vreemd vinden, dat we eerder lijken te verwachten dat schoonheid ook goedheid inhoudt. Wat baat het? wordt er in de haiku gevraagd. Alsof het de bedoeling zou zijn, logisch is dat schoonheid vanzelf ook goedheid impliceert. De teek doet ons inzien van niet. Maar we lijken het niet goed te begrijpen en stellen ons daarom de vraag wat die schoonheid dan voor nut heeft.

Daarover gaat dus de haiku: over ons menselijke aanvoelen dat schoonheid goedheid zou moeten impliceren, terwijl dat in de realiteit vaak niet het geval is. De teek als ‘boosaardig’ dier doet hier dus gewoon dienst om die tegenstelling extra in de verf te zetten.

In memoriam

En in de zomer,
in memoriam de winter.
Naar foto’s kijken.

Even terzijde bij deze haiku: soms ontstaat er een dubieuze lettergrepenkwestie. Zoals dat hier het geval is in de tweede regel met het woord memoriam. Technisch gezien telt dat woord vier lettergrepen. Maar als je het normaal en vloeiend uitspreekt eigenlijk maar drie. Hetzelfde probleem heb je met woorden als station bijvoorbeeld. Strikt taalkundig drie lettergrepen, hoorbaar slechts twee.

Wat weegt dan het meest door? Voor mij is het vrij duidelijk: het hoorbare aantal, niet het taalkundige aantal. De metriek (en dus de kwestie van lettergrepen) in een haiku is op zich geen taalkundige regel, maar een regel van kadans, van zegging. En dus is het hoorbare aantal belangrijker, beslissender voor de aard van haiku dan het puur taalkundige, theoretische aantal. Ik kies dus zelf steevast voor het hoorbare aantal. En hoorbaar heeft de tweede regel ook in deze haiku maar zeven lettergrepen.

Tegenwijzerzin

O kijk, in Japan
draaien de fietswielen in
tegenwijzerzin!

Poëzie of gewoon wat gekkerij? Bij haiku of senryu moet je altijd voorzichtig zijn als je denkt met gekkerij te maken te hebben. Of je wórdt voor de gek gehouden.

We krijgen zelden of nooit een Westerse sport in het Oosten te zien. Zoals vandaag de olympische wegrit wielrennen in Japan. Als je dan zit te kijken met die wetenschap in gedachten kijk je haast als vanzelf anders. Met een andere blik. En dan ga je ook vanzelf andere dingen bekijken óf de dingen anders bekijken. Omdat je dénkt dat je ze anders moet bekijken. En wie zo gaat denken én dus kijken, ziet de dingen ook anders of dénkt dat hij ze anders ziet dan anders. Anders dus.

INVALSHOEK

Dat is waar deze haiku heel ernstig over gaat: dat je de dingen soms anders ziet, omdat je vanuit een bijzondere invalshoek of tijdens een speciaal moment denkt dat je ze anders móét zien, terwijl ze er altijd zo uitzien en hebben uitgezien.

Nationale feestdag

Ach, gestorven op
de nationale feestdag.
De mug op mijn kast.

Dit is zo’n haiku waaraan je op het eerste gezicht kop noch staart krijgt (tenzij die van de mug zelf), maar waar ik wel van hou. Het lijkt wat absurd: om te vermelden dat een mug gestorven is op de nationale feestdag. Indien er stond dat een oudstrijder gestorven was op de nationale feestdag, dan zou iedereen dat ergens wel bijzonder vinden en misschien zelfs betekenisvol. Maar een mug? Een mug van alle levende wezens? Wat moet je daar dan mee?

Welnu, dát is juist de inhoud van de haiku: niets, je moet er niets mee. Dat is wat de haiku je au fond wil zeggen: levende wezens, of het nu mensen zijn of muggen, worden geboren en sterven. En die geboorte en sterfte (als ze natuurlijk is) trekken zich niets aan van zon- of feestdagen. Het is met andere woorden een haiku over de essentie van geboorte en dood, van het leven tout court: het overkomt ons, we hebben nauwelijks te kiezen, we ondergaan veelal.

TUSSENWERPSELS

In die zin zou je ook het banale tussenwerpsel ach kunnen lezen aan het begin van de haiku. Als in Ach, we hebben er weinig aan te zeggen, het is eigenlijk niet belangrijk. En tegelijk drukt ach ook medelijden of zelfs ontsteltenis uit. Ook kleine tussenwerpsels hebben in haiku vaak een veel grotere betekenis dan je denkt of zetten de lezer op een mogelijk spoor om te volgen bij het dieper lezen.

En tot slot nog even dit ook: zette ik na feestdag bijvoorbeeld een uitroepteken in plaats van een gewone punt, dan zou de haiku anders worden. Maar naar mijn gevoel zou dat uitroepteken dan botsen met die ach die de zin inluidt. Voor mij dus ook heel belangrijk: de juiste leestekens in een haiku. Het zijn niet zomaar tekens, ze betekenen vaak ook iets, zoals de snijwoorden in de Japanse haiku.

Vissen

Op mijn werkterras acht hoog in Belle Fontaine aan het kanaal in Turnhout legde ik mijzelf vanmorgen, 21 juli 2021, de taak op om een voormiddag lang een visser te volgen die hier op een oever beneden was komen zitten. Ik trachtte zijn doen en laten, soms zelfs zijn denken, te vatten in een reeks haiku’s en foto’s. Hier te volgen in chronologische volgorde. Als een soort werkkladjes nog. Misschien pas ik ze de komende dagen hier en daar nog aan.

De foto’s geef ik door elkaar. Voor wie zin heeft om zelf met veel geduld uit te vissen welke foto bij welke haiku hoort.

Ochtend, ook ik gooi
mijn hengel uit en vis naar
woorden in de stroom.

En de visser denkt
en denkt en denkt en de vis
denkt niet met hem mee.

Ga weg, ga toch weg!
kwaakt een eend luid naar de vis
rondom de visser.

Zijn hengel te kort
voor zijn parasol die plots
in het kanaal woei.

Voorovergebukt
met een afgezakte broek.
Visser met lokaars.

Wijl op de oever
wielrenners hier ontsnappen,
vangt hij hier vissen.

De visser gooit iets
in het water; is hij soms
boos op de vissen?

Het plezierbootje
brengt de visser wat plezier.
Deinende golven.

Boven de visser
zit stil al een ekster klaar.
Nog niets gevangen?

De visser; iemand
komt hem zeggen hoe het moet,
zijn arm als hengel.

De Marokkanen,
zij vissen niet, zegt iemand.
Want ze zijn te lui …

De visser, zou hij
wel weten hoe een kajak
dan klaar te maken?

En even verder
duikt een fuut een visje op.
De visser roert niet.

Zijn vrouw op bezoek.
Een klein kusje vangt hij wel.
De visser toch beet.

Samen hengelen.
En zij mag nu de grote,
hij neemt het kleintje.

En wijl haar hengel
in de stroom hangt, hengelt zij
op het internet.

De jonge visser,
hij heeft nog geen zittend gat,
moet het nog leren.

Picknickbank geclaimd
en zijn picknick ligt al klaar.
Nu nog een visje.

Hij maakt vanmorgen
zijn hoofd leeg in het kanaal.
Vissenderwijze.

Het kanaal is breed.
Toch ziet hij maar één puntje.
Oranje dobber.

Nog leeg zijn emmer,
van de visser; toch komt men
voortdurend kijken.

Middag, de visser.
Ook zijn geduld bracht hij mee.
En nog steeds niet op.

Zijn zoontje had hij
een prachtig visje beloofd.
Middag, de visser …

Zoals hij nu vist,
is het werkelijk een sport.
Geen seconde stil.

De visser, steeds weer
zoekt hij zijn geduld, staat recht,
gaat zitten, staat recht …

Middag, zijn geluk
gaat hij nu elders zoeken.
Samen met zijn vrouw.

Haiku’s geschreven.
Zijn geduld ook het mijne.
Middag, de visser.

Banaan

Ik at vanmiddag een banaan en speelde weer even stiekem dat jongetje van zeven, acht of tien van lang geleden en zag mij verkleed als cowboy over ons gazon in Aarsele dartelen.

Zoals een banaan
in mijn hand past, zo past zelfs
een pistool niet eens.