Haiku

Een zomerse wind
door ’t koren; Mexican wave
avant la lettre.

En dan straks …

Vannacht, met fel licht,
aliens in het koren.
Ze namen het mee!

Actualiteit

Kun je haiku ook gebruiken om poëzie over de actualiteit te schrijven? Hm, da’s een lastige. Haiku leent zich niet zo goed voor taferelen of gebeurtenissen die eenmalig zijn of sterk gebonden aan een uitzonderlijke of zeer tijdelijke of unieke toestand. Een haiku is immers zo kort, dat je er geen kader kunt in meegeven, waarbinnen dan de haiku gezien en begrepen kan worden. Daarom is haiku de poëzie van het gewone, het door iedereen gekende en zelfs herkende. Een actuele gebeurtenis die je in een haiku beschrijft, zal misschien op het moment zelf goed begrepen worden, omdat het kader op dat moment door veel mensen gekend is, maar zal binnen pakweg tien jaar niets meer zeggen of zelfs onbegrijpelijk zijn.

De astronauten,
eindelijk weer frisse lucht!
Maar ach, mondmaskers …

Neem nu de haiku hierboven. Gisteren keerde de ruimtecapsule Dragon van het internationale ruimtestation ISS terug, nadat er enkele maanden geleden twee astronauten naartoe waren gebracht en er al die tijd bleven. Toen ze uit de Golf van Mexico werden gevist en uit hun capsule gehaald, konden ze voor het eerst weer verse lucht inademen. Maar toen moesten ze meteen een mondmasker om door de wereldwijde coronacrisis.

In deze haiku heb je dus te maken met twee actualiteiten die vervlochten zijn: de terugkeer van de astronauten én de coronacrisis. De haiku wordt vandaag ongetwijfeld meteen begrepen. Omdat die crisis wereldwijd is én iedereen treft. Of de haiku binnen tien jaar ook nog wordt begrepen, zal afhangen van de verdere impact van die coronacrisis en is onvoorspelbaar.

TIJDLOOS

In die zin is actualiteit geen goed idee voor een haiku. Tenzij voor specifieke doeleinden of gelegenheidshaiku’s. Als extraatje bij een artikel of tijdens een lezing bijvoorbeeld. Maar voor de lange termijn? Twijfelachtig. Het is juist zo typerend en zelfs verbluffend voor haiku dat al die oude gedichten van Bashõ, Shiki, Issa, Buson vandaag nog steeds even herkenbaar zijn als eeuwen geleden. Omdat zij haast nooit over actuele toestanden van de korte termijn gaan, maar over de natuur die nauwelijks verandert of over algemeen bekende thema’s. Dat maakt haiku zo tijdloos én universeel.

Tot slot nog een coronahaiku:

Bankje, corona,
eten zonder kapje mag.
Twee menseneters!

Helikoptertjes

Door het raam van onze Huiskamer in het Huis van de Haiku kijk ik recht op een inmiddels imposante esdoorn, waaraan heel veel vruchtjes hangen. Ze geven de boom een gele tint tussen de groene bladeren. Eerder, veel eerder dit jaar, schreef ik over die esdoorn deze haiku:

De esdoornfabriek;
nieuwe helikoptertjes
al in productie.

Nu — maanden later — was het tijd voor een nieuwe haiku:

De esdoornfabriek;
nieuwe helikoptertjes
nu klaar voor take-off.

De zaden van de esdoorn — de zogenaamde helikoptertjes — worden laagje voor laagje gebouwd in een ingenieus fabriekje. Ingenieus, want ze zijn zo ontworpen dat ze tijdens het vallen gaan ronddraaien en een opwaartse kracht produceren. Daardoor vallen de zaden veel trager dan ze normaal zouden doen. Door trager te vallen, is de kans groter dat ze door een briesje worden opgepikt, zelfs opgetild en een eindje van de moederboom vandaan kunnen landen. Daar is de concurrentie met andere esdoornzaden minder groot en kunnen er aan het eind van de rit, eh, vlucht meer bomen ontkiemen. Geniaal toch?

Woordspelingen

Haiku is niet de poëzie van de expliciete woordspelingen zoals veel andere poëzie bij ons in het Westen dat vaak wel is. Woordspelingen komen in een haiku vaak te artificieel over. Te gemaakt kunstzinnig. Alsof de dichter van dienst te veel zijn kunstjes met de taal wilde laten zien. Iets als: Kijk eens wat ik kan? Waarna jij dan verondersteld wordt beleefd te applaudisseren. Bij haiku houdt de dichter zich zoveel mogelijk op de achtergrond en vertoont hij zo weinig mogelijk kunstjes. Hij wijst alleen maar naar iets, zo mogelijk over je schouder. Hij wil absoluut niet in je beeld en in de weg lopen. Hij geeft je als het ware de balletjes of de kegels en jij bent het die ermee moet jongleren, het kunstje in je hoofd uitvoeren door er iets bijzonders mee te doen. Dat is de hele essentie van haiku.

Maar het dichterlijke bloed kruipt soms waar het niet gaan kan. Als Westers dichter blijven woordspelingen een verleidelijk speeltje. Soms is het moeilijk om bij bepaalde haiku’s aan die verleiding te weerstaan en wil je toch per se die woordspeling die je o zo mooi vindt, gebruiken. Alarm, alarm, alarm! moet het dan meteen in je hoofd flikkeren. Maar velen negeren dat alarm en laten trots hun kunstje lezen. En ja hoor, het applaus volgt dan meestal ook beleefd. Immers, ook de lezers zijn meestal westerlingen en verliefd op woordspelingen.

EXPERIMENTEN

Af en toe experimenteer ik ook weleens met zulke woordspelingen. Of ze toch niet op een of andere manier bruikbaar zijn binnen de vervagende grenzen van de haiku. Meestal besluit ik dan achteraf: waardeloos als haiku, ik stel mij weer aan als dichter, sta met de smile van een breedsmoelkikker pardoes voor het beeld. Slechts heel zelden denk ik: misschien, heel misschien. Als het tafereel er op zich niet al te erg door wordt verduisterd, bezoedeld, beklad. Of als de woordspeling de haiku een leuke twist geeft zonder dat ze prominent de aandacht opeist.

Hieronder vier haiku’s waarin op verschillende manieren een woordspeling wordt gebruikt. Of ze werkt, laat ik graag aan de lezer over. De norm is flauwheid, het wordt o zo gauw zo flauw. Bij de laatste bijvoorbeeld. Die haiku zou ik alvast zelf niet als geslaagd ervaren.

Ooit erop geland
ging het vliegje haar boekje
nooit meer te buiten.

Iedere avond
zegt mijn computer: Zet uit.
Ik eet nog wat cake.

Trekpoppen, zegt ze.
En het kind vraagt wanneer ze
dan straks vertrekken?

Plots een sirene;
hij schrikt zich een ongeluk.
De ziekenwagen.

De vlinder en de hitte

De hitte heeft me deze namiddag op het terras van het Huis van de Haiku geïnspireerd voor deze haikusequens over een vlinder.

Vlinder in de tuin.
Hij wuift zich wat koelte toe,
eerst hier, dan elders.

En zou dat helpen?
Dat almaar wild fladderen?
Tegen de hitte?

Was hij maar groter!
’t Zou een mooie waaier zijn.
Vlinder in de tuin.

Zomerse hitte
en eindelijk een briesje!
Vlinder in de tuin.

Ach vlinder, vlinder,
ga toch uit die zon zitten!
Je bent van papier!

Met opa’s tuinslang
mikt het kind naar een vlinder.
Zomerse hitte.

Kijk, de dagpauwoog
heeft nu óók een zonnebril
opgezet! Zomer.

Een vlindernetje
op het gazon; veel te heet
om zo te rennen.