Brug van stemmen

Vanmorgen vroeg hoorde ik tot op acht hoog plotseling twee schelle stemmen. Vrij luid. Ik keek nieuwsgierig — dichters moeten altíjd nieuwsgierig zijn — door het raam van Belle Fontaine naar beneden, naar het kanaal, en zag twee vrouwen staan, één op elke oever van het kanaal. Ze riepen dingen naar elkaar. Om de beurt. Zo wisselden ze elk vanop hún oever gedachten uit. Hun stem gebruikten ze als een brug over het water.

Hier langs het kanaal,
twee oevers en twee mensen,
hun stemmen de brug.

HAIBUN

Dit is één van de dagelijkse haibun die ik sinds 1 januari schrijf over het reilen en zeilen aan het kanaal in Turnhout, waar ik sinds half september een prachtige schrijfplek heb gevonden. In de toren Belle Fontaine, acht hoog boven en vlak naast het kanaal. Een haibun is een literair genre, waarbij een kort stukje proza wordt gecombineerd met poëzie, meer bepaald één of meerdere haiku’s. Hier lees je meer over wat een haibun is.

Elke dag dus een haibun over het kanaal in Turnhout, met zijn schippers, zijn wandelaars, zijn fietsers, zijn meerkoeten en meeuwen, zijn kauwen hoog in de lucht en zijn vele soorten stromingen. Van acht hoog gezien, van vlak naast de oevers beleefd of vanaf Turnhout Canal Bridge een eindje verder waargenomen. Hier te volgen: Haibungreetz Het kanaal.

Tevreden

Soms ben ik heel tevreden over mijn eigen haiku. Echt wel! Ach ja, is daar iets verkeerds mee? Nee toch? Het zou eerder andersom erg zijn als ik nooit over mijn gedichten tevreden was. Wat stom van mij dat ik ze dan zou delen, uitgeven, rondstrooien, vermenigvuldigen. Neem nu deze haiku:

Kijk, de eekhoorn brengt
de ene boom wat dichter
bij de andere!

Heerlijk vind ik die zelf! Vooral omdat hij op verschillende manieren te lezen valt en hij je afhankelijk van de manier een ander, mooi tafereel uit de natuur laat zien.

Zo kun je een eekhoorn zien die tijdens zijn winterrust even wakker is geworden (eekhoorns doen dat als het wat warmer is en ze iets willen eten) en langs een tak in de kruin van een boom loopt tot die tak wat vooroverbuigt en op die manier dichter bij een tak van een naburige boom komt. Tot ze elkaar raken en de eekhoorn zo van de ene boom in de andere overloopt. Een mooi beeld vind ik dat. Inhoudelijk mooi (de eekhoorn brengt die twee bomen inderdaad letterlijk dichter bij elkaar) en ook mooi als winters tafereel. Niet?

ANDERS

Maar je kunt hem ook anders lezen, los van een jaargetijde: een eekhoorn gaat met een dennenappel of een okkernoot van de ene boom op een tak van een andere boom zitten om die op te eten. Ook zo brengt de eekhoorn de ene boom dichter bij de andere boom. En tegelijk wéér een mooi tafereel.

Ja, ik ben best wel tevreden over mijn haiku. Daarom lees ik hem nog eens voor u voor:

Kijk, de eekhoorn brengt
de ene boom wat dichter
bij de andere!

Misschien ook niet

Acht uur en al licht!
Het moet wel gesneeuwd hebben.
Ach, misschien ook niet.

In poëzie, zou je kunnen zeggen, heb je twee uitersten: ofwel verklap je alles, ofwel suggereer je alles. De ‘waarheid’ (wat is waarheid?) ligt zoals bij zoveel zaken wellicht ergens in het midden. Maar hoe vind je als dichter dat midden? En dan nog dat ‘ergens in het midden’. Of een lezer begrijpt wat je verklapt en al zeker wat je suggereert, hangt immers in grote mate ook van die lezer zelf af. Zelfs vaak van het moment van het lezen. Dat midden is dus een erg verschuivend midden.

In haiku — ook wel de poëzie van de suggestie — wandelen we bovendien vaak en graag wat van dat midden weg, richting suggestie. Maar hoe ver kun je met de lezer wegwandelen zonder dat hij helemaal de weg kwijtraakt en er geen flauw idee meer van heeft waar hij zich bevindt?

ORIËNTATIE

In bovenstaande haiku tast ik die grens wat af en stap ik dicht tegen de uiterste grens aan, misschien er zelfs al wat over. Maar ook hier hangt dat vooral van je eigen poëtische oriëntatievermogen af. En niet zelden ook van je ervaring. Hoe meer je haiku leest, hoe verder die grens opschuift. Of beter gezegd: hoe verder je kunt wandelen zonder de weg kwijt te raken.

In deze haiku wordt de grens bepaald, gelegd, door de laatste regel: Ach, misschien ook niet. Die regel is bepalend voor de lezing. En voor het wel of niet verdwalen. De dichter wordt wakker, ziet dat het acht uur is en schrikt wat van het licht in de kamer. Hij ervaart het als ongewoon voor de tijd van het jaar, het is winter. Meteen schiet het door zijn hoofd dat vermoedelijk sneeuw de verklaring is voor die vroege klaarte. Was er immers geen sneeuw voorspeld? Tot zover verloopt de wandeling langs een overzichtelijke pad: Acht uur en al licht! / Het moet wel gesneeuwd hebben.

En dan volgt die derde regel en blijf je op het eerste moment wat beduusd achter. Misschien zelfs wat ontgoocheld. Na de suggestie van de sneeuw had je als lezer misschien wel wat meer enthousiasme verwacht, had je willen weten of het echt gesneeuwd had en had je die sneeuw misschien zelf wel willen zien! Hup hup, uit bed en naar buiten! Maar er staat slechts: Ach, misschien ook niet. Wat moet je daar nu mee?

SUGGESTIE

Zo naderden we de grens van een van de uitersten in poëzie: die van de suggestie. De dichter waagt zich ver en hoopt dat je zijn suggestie toch vat, ziet, begrijpt en daaruit dan een poëtische voldoening haalt. Maar wat suggereert hij dan? Zit de sleutel van het uiterste poortje in die Ach? Is de dichter er niet wel degelijk van overtuigd dat het heeft gesneeuwd? En zou hij niet wel degelijk enthousiast uit bed willen springen om ze te zien? Maar het is nog zo heerlijk warm en zacht in dat bed. En stel, stel nu heel even dat er toch geen sneeuw ligt? Dan kwam hij er helemaal voor niets uit. En dus: Ach, misschien ook niet. Zo kan hij toch nog even gerust blijven liggen. Zoiets? Of wandelde jij langs een andere uiterste grens en ging je een ander, eigen poortje door?

Dat is haiku: wandelen zo ver als je kunt en daar dan een poortje zoeken om nóg wat verder te wandelen. In het spoor van de dichter of zelfs helemaal in je eentje.

Ontwaken

We staan … eh … liggen er nog zelden bij stil: dat het ontwaken eigenlijk iets heel bijzonders is. Er gebeuren op dat moment heel wat ingewikkelde processen in ons lichaam. En daar kan ook altijd iets bij mislopen.

Ik maakte daarover een haiku. Een heel eenvoudige haiku over iets heel ingewikkelds dus. De bedoeling van de haiku is om er even de aandacht op te vestigen. Op het feit dat we iets dat op zich heel bijzonder is heel gewoon zijn gaan vinden. En ik vraag mij af hoe dat idee het sterkst werkt, overkomt: als ik mij laat ontwaken op een regendag, op nieuwjaarsdag of op paaszondag.

Ik denk dat ik voor paaszondag kies. Omwille van de klank. Ik heb het gevoel dat dat woord het meest bijzonder klinkt en dus het bijzondere van het moment van het ontwaken nog net iets meer in de verf zet. En dan vooral het feit dat we dat niet bijzonder vinden. Het bijzondere van paaszondag versterkt met andere woorden het idee dat we dat niet bijzonder vinden.

Ook in regenweer
ervaar ik mijn ontwaken
als iets heel gewoons.
~
Ook op nieuwjaarsdag
ervaar ik mijn ontwaken
als iets heel gewoons.
~
Ook op paaszondag
ervaar ik mijn ontwaken
als iets heel gewoons.

Duo

Ik maakte een duohaiku. Ze bestaan elk apart, maar samen zeggen ze misschien meer. Lees maar wat dieper.

Als het zomer is,
denkt hij dat de bladeren
nooit zullen vallen.
~
Als het winter is,
gelooft hij niet dat er straks
weer bladeren zijn.

Experimenteren

Ik heb gisteravond nog eens wat geëxperimenteerd met het genre haiku. De kleine gedichten hieronder zijn dan ook niet wat ik klassieke haiku’s zou noemen. En toch zijn het voor mij echt wel haiku’s. Ze geven namelijk een eenvoudige en vrij objectieve expressie van een impressie in het nu. En dat is in grote lijnen wat een haiku toch is. Ik voegde er alleen een tikkeltje mysterie aan toe. Door een wat meer persoonlijke touch. Een veeg emotie subtiel doorheen de verf gestreken. Of ik gaf de haiku een kronkel mee door de wat aparte manier van formuleren.

Ik zou deze ‘trucjes’ graag samenvatten onder de noemer: poëtische dimensie. En moet haiku toch ook niet poëzie zijn, poëzie uitstralen, poëzie laten klinken? Ik denk aan onze geliefde Matsuo Bashõ: Neem uw gedicht duizendmaal op de lippen.

Van de maan is al
zoveel gezegd; van de maan
is nog niets gezegd.

Hoe is het met jou?
vraagt zij mij tot twee keer toe,
mij tot twee keer toe.

Nu het klokje slaat,
zie ik haar staan; het slaat mij
elf uur haar kant uit.

Avond; iemand komt
iemand halen om iemand
te komen zoeken.