De volle maan

Laat ons nog eens een haiku dieper lezen.

Een heldere nacht;
de volle maan schijnt nu door
mijn halfopen raam.

Op het eerste gezicht is het een wat komische, haast absurde haiku. Of het raam nu halfopen staat of helemaal open, de maan schijnt er altijd door. Ongeacht ook of ze zelf vol, half of maar een sikkeltje is. De tegenstelling waarmee in de haiku wordt gespeeld, is dus maar schijn. Letterlijk zelfs in dit geval.

Maar zoals je ondertussen wel weet: in haiku staat er nooit iets toevallig. Of toevallig zo. En het is net dat absurde dat je dat zegt: opgepast, hier valt meer te lezen dan je denkt, dan je ziet.

LEZING

De haiku begint met een eenvoudige vaststelling: een heldere nacht. En er is een volle maan. Bovendien, zo lees je ook, staat mijn raam maar halfopen. Met welke diepere betekenis zouden deze drie elementen nu te verbinden vallen? De heldere nacht misschien met een helder moment? Een moment waarop je plotseling iets klaar en duidelijk ziet? Als je zo’n helder moment hebt, is soms maar een kleine gedachte (halfopen) nodig om toch een mooie ingeving, iets groots (de volle maan) te beseffen, te ontdekken. Of nog anders gezegd: op heldere momenten krijg je vaak grote ideeën, ook al staat je geest op dat moment maar op een kier. Zoiets?

Te ver gezocht? In haiku mag je altijd zo ver zoeken als je zelf wilt. Zelfs nog ver voorbij de volle maan.

De winterwandeling

Ik maakte vandaag een winterwandeling van meer dan tien kilometer. In wisselvallig weer, maar in een mooi stuk natuur in het Turnhouts Vennengebied. En met een nieuw ‘speeltje’: een USB-stick waarin ook een microfoontje zit verwerkt en die in mijn jaszak past. Zo kan ik onderweg mijn instanthaiku’s snel en heel eenvoudig opnemen en ze dan thuis rustig noteren en verder afwerken. Héél handig! Hierbij de reeks van deze namiddag.

Winterwandeling.
Een paar koeien begrijpen
er ook niets meer van.

Gele trilzwammen.
En een groepje kinderen
nieuwsgierig errond.

Het waterhoentje
schrijft op de slotgracht een V
in zijn waterfont.

En de wei, de wei,
ook leeg blijft ze nu een wei.
Winterwandeling.

De winterakker
toont nog zijn geschiedenis.
De maisstoppels.

Aan houvast heeft mos
al genoeg en kleurt de steen.
Winterwandeling.

Op de zandpaden
liggen plassen, op de weg
niet één enkele.

Een bord met een plan;
voordien liep ik niet verkeerd.
Winterwandeling.

En op de slotgracht,
al die nieuwe kringetjes
op ’t oude water.

Winterwandeling.
Halfweg geef ik mijn muts op.
Mijn haren hou ik.

En over het pad
een overhangende tak.
Eronder een mens.

De winterregen.
En een boom gaf aan zijn voet
wat zwammen over.

De beek is niet diep.
En toch waagt niemand de sprong.
Een brugje zoeken.

Winter en regen.
Alle bankjes nu bezet:
nat, nat, nat en nat.

Ook in de winter
houdt hij met al zijn handjes
de boom vast; klimop.

Voor mij klaart het op.
Maar toch word ik nog lang nat.
Winterwandeling.

Omgekeerde zak.
Traag drijvend in het kanaal
brengt hij water weg.

Winter, de ekster;
maar waar toch liet hij zijn staart?
Zoekend in een nest.

Winterwandeling.
En ook mijn nieuwe jeansbroek
heeft meegewandeld.

De tijden

Waar een wil is …
Het was de weg
die jij niet vond.

Haiku gaat doorgaans altijd om iets in het nu, in de tegenwoordige tijd dus. Toch kun je voor het schrijven van een haiku soms kiezen tussen de tegenwoordige tijd of de verleden tijd. Meer nog: de keuze bepaalt zelfs in sterke mate de lezing en dus de precieze inhoud.

Neem nu deze tanshuku (verkorte vorm van haiku). Voor het tweede deel kon ik kiezen tussen de verleden tijd of de tegenwoordige tijd. Hieronder de versie met de tegenwoordige tijd. Lees de beide nog eens goed en probeer het grote verschil qua inhoud te lezen, te voelen.

Waar een wil is …
Het is de weg
die jij niet vindt.

Als je beide versies naast elkaar legt met alleen dat tijdsverschil zeggen ze toch elk iets heel anders. In de eerste versie (verleden tijd) is het nog steeds een haiku in het nu: de dichter stelt nu iets vast, namelijk dat iemand de weg niet vond. Dát is wel voorbij, maar de vaststelling (en dus de haiku als dusdanig) speelt zich in het nu af. De dichter lijkt naar iets te kijken dat hem dat vertelt. Wat of wie hij ziet, mag de lezer zelf invullen. Maar er is duidelijk iets gebeurd en het lijkt onvermijdelijk. Daar wijst die verleden tijd namelijk op: het is voorbij, de weg is niet gevonden. De sfeer van de tanshuku is somber. Het lijkt onomkeerbaar, de weg is niet gevonden en dus ook niet bewandeld, jij ging een andere kant op.

HOOP

De versie met de tegenwoordige tijd van vinden heeft een duidelijk andere toon en de sfeer is nog hoopvol. Want het zoeken lijkt nog volop bezig. Daar wijst die tegenwoordige tijd op, het vinden is nog mogelijk, nog aan de gang, de weg is tot nu toe alleen nog niet gevonden, maar het kan nog. Het is misschien slechts een kwestie van standpunt, van kijken, van willen, van zien: De weg die jij niet vindt. Maar wie weet, als je nóg een keer probeert, eens elders kijkt misschien, je bril opzet. Uit de eerste versie spreekt verslagenheid, uit de tweede hoop, een haast immens verschil in gevoel en dat alleen door de keuze tussen verleden tijd of tegenwoordige tijd.