Tijdsverloop

Hij kwam uit zijn huis
en ging er zonet weer in.
De dag is voorbij.

In een haiku is er normaal geen tijdsverloop. Een haiku beschrijft altijd één moment, één belevenis, één ervaring in het nu, die soms niet langer duurt dan een flits. Het besef van dat moment of die flits is het zogenaamde haikumoment.

In bovenstaande haiku zou je wél een tijdsverloop kunnen lezen. Maar dat is — zoals zo vaak in haiku — slechts schijn, een misleiding van een (te) vlugge lezing. Want ook in deze haiku wordt slechts één kort moment in het nu beschreven, namelijk het plotse besef dat er een dag voorbijging. Dat besef kwam er bij mij door de thuiskomt van mijn buurman en het vertrouwde geluid van het dichtvallen van zijn deur. Die thuiskomst roept dan ook het vertrek ’s morgens vroeg op én het dagelijkse, vaste patroon van het vertrek ’s morgens en de thuiskomst ’s avonds. En daardoor dus het besef van een (alweer) voorbije dag.

BESEF

De haiku gaat dus niet over het vertrek of de thuiskomst van een buur, maar over het besef van een voorbije dag. En dat besef ontstaat als een flits in het nu, getriggerd door de thuiskomst van de buur én de reflectie op zijn vertrek ’s morgens. Maar de haiku zelf beschrijft geen tijdsverloop, wel het besef van een tijdsverloop in het nu.

Kwartiertje

Waarom in godsnaam
zou ik naar Spanje vliegen?
Kwartiertje fietsen.

Op mijn Facebookpagina postte ik deze haiku samen met een idyllische foto van het Turnhouts Vennengebied bij valavond en vanaf een uitkijktoren genomen. Nu zou je de vraag kunnen stellen of de haiku ook bestaansrecht heeft zonder die foto. Met andere woorden: zegt de haiku zonder het beeld voldoende?

Je lijkt geneigd om daar snel ‘neen’ op te antwoorden. Omdat de reden om niet naar Spanje te vliegen lijkt te ontbreken in de haiku. De foto op Facebook vult die schijnbare leemte dan in. Schijnbaar. Want ik meen dat de haiku ook zonder de foto perfect leesbaar is. Als je tenminste wat gewoon bent om haiku te lezen en weet dat veel haiku’s een uitnodiging zijn om zelf in te vullen.

HINT

Concreet bij deze haiku, waarbij op het eerste gezicht een reden lijkt te onbreken, bestaat de uitnodiging erin om zelf te zien en in te vullen waarom je in godsnaam niet naar Spanje zou vliegen. De hint voor die invulling zit hem dan in het wat cryptische ‘kwartiertje fietsen’. Een kwartier is niet lang en met de fiets dus ook niet ver. Bovendien staat er ‘kwartiertje’: een bewuste, verdere verkleining van de fietstijd en dus de afstand, een aanduiding en suggestie dat die eigenlijk te verwaarlozen is.

Wie haiku dan dieper heeft leren lezen, leest erin dat er dichtbij voor mij iets te vinden is dat ik op z’n minst even boeiend, mooi, interessant, leuk vind, dan wat ik in Spanje zou aantreffen. En is dat niet overal zo in een cirkel van een kwartiertje fietsen? En waarom dus naar Spanje vliegen (wat een gedoe, soms alleen al om op tijd in de luchthaven te geraken) als een kwartiertje fietsen blijkbaar al volstaat? En dan mag je dat ‘iets’ zelf invullen: een landschap, een ervaring, een belevenis. Op Facebook vulde die foto dat in: een prachtig waterlandschap in avondkleuren.

Besluit: naar mijn gevoel en mits wat leeservaring én verbeelding kan ook deze haiku perfect op zich bestaan en heeft hij zijn waarde. De essentie, de inhoud van de haiku, is dus niet het Turnhouts Vennengebied in de avondkleuren (wat de foto op FB misschien doet vermoeden), maar het idee dat er ook in je buurt (kwartiertje fietsen) wel iets te vinden is dat heel erg de moeite is. Als je het maar met verwonderde, ‘nieuwe’ ogen wilt bekijken, zien én dat ook beseft.

Woordspelingen

Behoren woordspelingen tot het taalarsenaal van de haiku? Het is een vraag die niet zomaar eenduidig te beantwoorden is. Veel hangt af van hoe je naar haiku kijkt en wat je met haiku voor ogen hebt. Hou je vast aan de Bashõstijl, dan zal het antwoord eerder ‘neen’ zijn. Ben je op zoek naar een meer Westerse en/of hedendaagse invulling van haiku, dan is het antwoord ‘ja’.

Neem daarbij in rekening dat woordspelingen vanzelf meer ingebouwd zijn in de Japanse taal en het antwoord wordt misschien nóg moeilijker. De Japanse woordspelingen of connotaties die woorden er vaak vanzelf hebben, zijn doorgaans wel een stuk subtieler dan onze woordspelingen, die inderdaad meer ‘spelingen’ zijn, een spel met de taal dus. In die zin staan ze wat dwars op de eerder nuchtere, klassieke haiku. Anderzijds is haiku — letterlijk vertaald — een humoristisch of luchtig vers uit het leven gegrepen. En dus past een Westers woordspel dan misschien tóch als stijlelement?

Hierbij twee voorbeelden met eerder Westerse woordspelingen.

Hijsen en heffen
en maar bouwen en bouwen.
De kranige stad.

Het kanaal, startbaan
en landingsbaan van zoveel
dat vederlicht is.

Vervullen

Een van de plezierige dingen aan haiku is dat ‘het verhaal’ vaak niet helemaal wordt uitgeschreven en de lezer daarmee vriendelijk wordt uitgedaagd om mee te spelen, verder te schrijven en het verhaal dus volgens eigen smaak en verbeelding te kruiden of zelfs af te werken.

In feite zit in de haiku wél het hele verhaal via een bijzondere vorm van suggestie, maar het wordt niet helemaal verteld, waardoor je als lezer geprikkeld wordt om het zelf in te vullen of aan te vullen. Je zou kunnen zeggen dat je als lezer nog moet vervullen wat de haikudichter schreef. Ja, een haiku moet vaak tijdens het lezen worden vervuld. Het is een mooi idee en het maakt haiku tot een van de meest speelse en prikkelende vormen van poëzie die ik ken.

Ik wil dat graag illustreren met twee haiku’s die ik ‘de grote misverstanden’ noem. Voel je wat ik bedoel met het vervullen van de haiku?

Op het poortje pas
een vergezicht geschilderd …
’t Grote misverstand.

O schat, schat, je bracht
een zakje chocomousse mee!
’t Grote misverstand.

L’embarras du choix

Wat hebben wij toch een wonderlijke taal! En best wel een moeilijke taal, waarbij je als dichter haast tot in het oneindige met nuances kunt spelen. Maar tegelijk zorgt dat bij de dichter ook vaak voor twijfel en kopzorgen: welke nuance is het mooist, werkt het best, is het meest poëzie? En dan geraak je daar haast onmogelijk uit. Omdat je er als schrijver van het stukje tekst eigenlijk niet kúnt uit geraken.

Nooit kun je immers nog als een neutrale lezer je gedicht in een soort van eerste lezing, eerste impressie opnieuw lezen. Want je wéét wat je wilt zeggen en kunt dus nooit meer onbevangen beoordelen, voelen wat het best weergeeft wat je wilt zeggen.

DETAILS

En soms zit het in zulke kleine details dat je er een punthoofd van krijgt. Zoals in onderstaande haiku, waar het onnozele woordje toch mij voor een haast onmogelijke keuze stelt. Ik wéét het gewoon niet. Of misschien wel. Hahaha … L’embarras du choix, zoals het zo mooi in het Frans klinkt. Weet jij het? Welke versie doet het hem voor jou? En waarom?

Eik; nooit vraag ik hem
waarom hij zijn takken toch
zus of zo kromde.
~
Eik; nooit vraag ik hem
waarom toch hij zijn takken
zus of zo kromde.
~
Eik; nooit vraag ik hem
waarom hij toch zijn takken
zus of zo kromde.

EDIT: En dan uiteindelijk, dagen later, is het deze geworden:

Nooit vraag ik de eik
waarom hij die en die tak
zus of zo kromde.

Dieu …

Konden we dit jaar
de muggen niet overslaan?
Nee. Niet. Non de Dieu!

Soms zit er in een haiku heel onopvallend een weetje verborgen. Zoals in deze haiku. Misschien was je eerste reactie bij het lezen: Maar dat is fout! Dat moet zijn Nom de Dieu.

Welnu, hier is het weetje: oorspronkelijk was het wel degelijk Non de Dieu. Als uitdrukking van een zekere frustratie zei je letterlijk: Nee van God. Maar later werd die uitdrukking — zoals dat zo vaak met uitgesproken uitdrukkingen gebeurd — verbasterd tot Nom de Dieu. De interpretatie die men er dan aan gaf, wijzigde daarmee: het werd een godslasterlijke vloek, een blasfemie, gezien de christelijke traditie verbood om de naam van God te noemen buiten het gebed om.

Maar in deze haiku gebruik ik dus de oorspronkelijke uitdrukking en geef de laatste regel van de haiku daarmee een dubbele betekenis: dat het overslaan van de muggen letterlijk niet mag van God (die ze zelf schiep?), maar dat ik daar tegelijk gefrustreerd om vloek.

Meidoorn

De geur van meidoorn;
zo zwaar dat hij op het wit
van de bloemen weegt.

Hoe ver kun je gaan in het zintuiglijk plastisch maken van een haiku? Met plastisch wordt hier dan bedoeld: aanschouwelijk en tastbaar maken, gericht op het geven van een vorm.

In bovenstaande haiku tast ik die grens af en trachtte ik iets wat niet te zien noch te voelen is toch tastbaar en aanschouwelijk te maken: een geur. Het is een typisch trekje van de haiku om de dingen zodanig anders te bekijken en te beschrijven dat hun aard of eigenschap er duidelijker, sterker uit naar voren komt.

Concreet bij deze haiku: bij het passeren van een meidoorn in volle bloei rook ik de erg zoete geur en voelde dat aan als ‘zwaar’. Door het vele stuifmeel zagen de bloemen er ook wat gelig uit en niet meer zo wit als tijdens het begin van de bloei. Ik drukte dat plastisch uit door de geur te laten ‘wegen’ op dat wit. Daardoor wordt het voor de lezer mogelijk om de geur misschien net iets beter te ondergaan en in gedachten de erg zoete geur te ruiken én tegelijk de wat gelige bloemen te zien. Zo werkt haiku dus.