Huiselijk

In het Huis van de Haiku zit ik graag haiku te oefenen. Dan stel ik mezelf soms lukraak een thema voor en verplaats me een poosje in tijd en ruimte. Of ik flits heen en weer. Gisteren had ik mezelf het thema huiselijk voorgesteld.

Een oefening dus in inleving en het aanscherpen van het voorstellingsvermogen, de fantasie ook. Of beter: van de verbeelding van de realiteit. Hieronder een reeks willekeurige, huiselijke taferelen.

Zomer, open raam.
Hoe anders smaakt mijn koffie
van hetzelfde merk!

Moeders aardbeien
in tweedehandse bakjes.
Breng je ze weer mee?

En de regenboog,
iedereen wil hem graag zien!
Door slechts één venster.

En uit de koffer
haalt hij ook nog een meloen.
Het is weer zomer!

Het vuurvlindertje
vliegt door het raam naar binnen.
En weer naar buiten.

Moeder, met haar zoom
blinkt ze haar bril nog eens op.
En kijkt dan verder.

Pillen allang op,
bijsluiter nog gesloten
op vaders tafel.

Potje vol sleutels.
Ze bewaart zoveel achter
sloten en grendels.

En tussen het fruit
ook één rode paprika.
Gekleurde fruitschaal.

Hij legt zijn bril in
het avondlicht op tafel.
Zoveel indrukken!

Uit de weg!

Haiku is poëzie waarbij de dichter zo weinig mogelijk in beeld tracht te komen. Hij wijst met een kleine vinger naar iets en hoopt dan dat de lezer het net zo ziet. Daarbij tracht hij zelf niet in de weg te lopen, door het beeld te rennen, of nog erger, zwaaiend en wiekend voor dat beeld te gaan staan.

Daarom zijn vergelijkingen in een haiku een beetje uit den boze of ten minste altijd risicovol. Want een vergelijking is haast altijd een mening, een interpretatie van de dichter. Hij zegt dan namelijk dat volgens hem iets lijkt op iets anders, vergelijkt wat hij ziet met een ander beeld. En dus komt hij even voor het eigenlijke beeld staan. Vergelijkingen of metaforen zijn een belangrijk element van onze westerse poëzie. Maar niet van de poëzie van het oosten, die eerder objectief registreert en dus niet vergelijkt.

En omdat wij westerlingen zijn, houden we wel van vergelijkingen in poëzie en zijn ze ook heel verleidelijk om te maken in een haiku. Toch verdient het aanbeveling om ze zoveel mogelijk te vermijden. Hieronder een voorbeeld. Ik zag voor mij een mooi beeld van een voorzichtig stappende ree in een wei. Reeën stappen doorgaans heel elegant. Zeker als ze alert zijn. Ze trekken daarbij hun knieën hoog op en lijken dan heel beredeneerd hun dunne poten weer neer te zetten. Alsof ze uitkijken waar ze lopen. Dat riep bij mij het beeld op van iemand die over een pas gedweilde vloer stapt: voorzichtig, nauwelijks durvend. En dus maakte ik in eerste instantie in mijn haiku die vergelijking:

Ochtend, een reetje.
Het stapt door de wei alsof
die pas is gedweild.

Oei, dacht ik meteen, ik maak een vergelijking en sta dus als dichter in de weg. Hoe kan ik dat doen zonder vergelijking? Of zonder die vergelijking expliciet te maken? Ik maak ze hier expliciet door het woord alsof. Als ik dat kon vermijden, was de expliciete vergelijking weg en suggereerde ik ze alleen maar. Dan zag je nog hoogstens een vinger of een stukje van mijn arm en niet meer mijn zelfvoldane grijns. Het trucje? De vergelijking als een vraag opperen en het voorzichtig stappen suggereren door het op dunne poten te laten doen:

Op dunne poten
stapt een reetje door de wei.
Pas gedweild misschien?

Vergelijk beide versies eens. Laat ze door je gedachten gaan zoals tijdens het proeven de smaken door je mond. Of het dan helemaal werkt, hangt natuurlijk altijd af van de eerste lezing en het eerste beeld dat je daarbij als lezer maakt. En dat valt voor een dichter nooit met zekerheid te voorspellen. Maar hé, net dat is poëzie!

Haiku

Een ruisende boom.
En de staart van de pony.
In de zomerwind.

Merk het niet onbelangrijke verschil op met deze versie (de bovenstaande is rijker aan mogelijke lezingen):

Een ruisende boom.
En de staart van de pony
in de zomerwind.