Mezelf

Staande op de brug
geef ik mezelf stroomafwaarts
met de rivier mee.

Hoe letterlijk mag of moet je een haiku lezen? Doorgaans mag je hem vrij letterlijk lezen. Om te beginnen. Dan lees je de eerste laag, de schets van het tafereel of de gebeurtenis. Dan zie je het beeld, de kleur en de verflaag van het schilderij.

Bij deze haiku ligt dat enigszins anders. Deze lees je beter niet al te letterlijk. Want als je dat doet, zou je een haiku over zelfdoding kunnen lezen. Het valt niet uit te sluiten, maar als de haiku de neerslag is van iets wat gebeurde, dan zou het vreemd zijn dat ik het achteraf nog opschreef. Niet? Je voelt dus aan deze haiku wel dat het mij niet om die letterlijke betekenis te doen is en je mezelf in de haiku anders moet lezen. Eerder metaforisch: mezelf als de samenvatting van alles wat ik ben, hoe ik mezelf zie, wat ik denk, wat mij bezighoudt.

FIGUURLIJK

Zo gelezen is het een haiku van iemand die bovenop een brug staat en starend naar de traag voortvloeiende stroom zijn gedachten laat afdrijven. Met de stroom mee. Misschien omdat hij ze kwijt wil? Misschien omdat hij in de verte een antwoord hoopt te vinden? Misschien omdat bepaalde dingen eens vanuit een ander perspectief te zien? Die mezelf is hier dan een figuurlijke mezelf.

Kortom: niet altijd betracht de dichter een letterlijke lezing van zijn haiku en voel je meestal wel aan de sfeer of aan bepaalde woorden of hij een andere lezing verwacht.

Smuiken

Het smuikt, zei moeder.
Al doornat als ik begrijp
wat ze bedoelde.

Een relatief eenvoudige haiku: je bent bij moeder op bezoek en net voor je te voet weer vertrekt, kijkt ze door het raam en zegt dat het smuikt. Je hebt het maar half gehoord, zat met je gedachten misschien al elders en besteedt er weinig tot geen aandacht aan en vertrekt. Pas na een eindje stappen dringt het tot je door wat smuikt betekent en wat moeder ermee bedoelde: dat je nat zou worden. Misschien was het wel een verdoken vraag: Kun je niet beter nog wat blijven?

DIEPER LEZEN

Tot zover de letterlijke, oppervlakkige lezing. Maar waar gaat de haiku werkelijk over? Als je hem dieper leest? Gaat hij dan niet over het soms achteloos voorbijgaan aan woorden, waarvan je pas achteraf — soms tot je eigen scha en schande — beseft wat ze betekenen en waarvoor ze werden uitgesproken? Gaat de haiku niet over de nonchalance waarmee we soms met taal omgaan? Met taal en met wat mensen zeggen, ons willen zeggen? Zijn we luie luisteraars en moeten we eerst aan den lijve iets ondervinden voor we het werkelijk begrijpen en geloven? Zoiets?

Haikudiorama’s

Ik heb nog eens gespeeld met mijn vriendje Manu. Weet je nog? Ik laat mij daarbij telkens inspireren door een verse haikureeks van hem en echo er als het ware een eigen reeks bij. Gisteren las ik zijn sfeervolle haiku’s over zijn bezoek aan Luik. Ik volgde stiekem in zijn spoor — zag je mij, Manu? — en liet mijn verbeelding ook rondkijken in die stad die ik niet ken, maar waarin Manu mij rondleidde. Het kon ook een andere stad zijn.

Mijn haiku’s zijn dit keer dus geen spiegelhaiku’s van de zijne, maar eerder haikudiorama’s. Het woord diorama is een samentrekking van het Griekse di dat door betekent en orama, wat staat voor dat wat gezien wordt. Door dat wat ik zag door de haiku’s van Manu maakte ik mijn eigen tafereeltjes, geassembleerd met elementen die ik her en der in de haiku’s van Manu vond. Haikudiorama’s dus. Of nog: tafereeltjes waarin ik een mogelijke werkelijkheid toon. Niet per se een natuurgetrouwe nabootsing dus, maar een mogelijke werkelijkheid naast die van Manu. Zoiets dus is een haikudiorama.

Ik groepeerde vervolgens al mijn kleine haikudiorama’s in een haibun en neem je zo op míjn manier mee door de stad die Manu mij — min of meer — op zíjn manier liet zien. Een leuk spel, niet?

HAIKUDIORAMA’S

Stel je een stad voor. Het maakt niet eens uit waar. Het zou zelfs Luik kunnen zijn. En je maakt een wandeling, in de vooravond, in die stad. Ergens staat een bronzen beeld van een stoere man, zwaard geheven.

Generaal van brons,
spinnen onder de leden,
kan niet eens krabben.

Maar er is op een plein ook een vrolijk meisje, dartel dansend, met in haar kinderhand een broodzak.

Midden op het plein
strooit een meisje verwarring
onder de duiven.

Een nijdig geronk doet mij opkijken. Iemand, ergens in deze stad, bestelde een pizza.

De pizzajongen;
niet één keertje kijkt hij om
naar de kathedraal.

Niet alles wat leeft, leeft rijk. Zo merk ik in de portiek van een grote kerk.

En ergens, roerloos,
in de kerkportiek gestold,
zit een bedelaar.

Een zoemende bij maakt mijn blik los en toont mij dat er in de stad nog bloemen zijn, zelfs in de late herfst. Late bloemen, late bijen.

Een bij zoemt voorbij
en neemt even mijn blik mee
tot bij een herfstbloem.

En dan kom ik aan de jachthaven, met boten, boten en boten, stil aan de kaai, toch nog wat deinend.

De plezierboten,
met nu een stad voor de boeg.
Nog zachtjes wiegend.

Nog wat verder wenkt mij aan de rand van deze stad het groen en zie ik hoog aan de hemel een buizerd rondjes draaien.

Als ik kon, gaf ik
één oog mee aan de buizerd
die steeds hoger klimt.

De avond valt, de schemering komt langzaam vanuit het oosten. Ik trek weer de stad in, de lichten in de huizen gaan aan, mensen lijken thuis te komen.

Een fluwelen doek
valt van ver over de stad,
brengt thuis wat ademt.

Niet lang daarna worden een na een de gordijnen gesloten voor gulzige toeschouwers als ik. En ook ik keer weer naar waar ik thuis ben.

Gordijnen gaan dicht;
ook in de stad sluiten nu
de poppenkasten.

Kerstversiering

En door de nog niet
gevallen herfstbladeren
al kerstverlichting.

Vanuit mijn Zevende Hemel aan het kanaal in Turnhout kijk ik ook een wijk in, die steeds zichtbaarder wordt door de kalende bomen langs de stroom. De voorbije dagen zag ik in de tuintjes en aan de gevels overal kerstverlichting opduiken. Tussen de bladeren van de bomen, die nog lang niet allemaal kaal zijn. Ook elders in de stad is het op sommige plekken al volop kerst. En dat terwijl de Sint nog niet eens is aangekomen.

Is het mijn verkeerde perceptie dat de kerstversiering dit jaar nóg vroeger dan anders verschijnt? Kunnen de mensen dit jaar nog minder goed wachten, geduld hebben? Is het door dat coronavirus? Uit een soort van verveling? Ik vind het geen goed idee. Als we zo verder doen, is het Kerstmis van november tot eind januari. En dan is er na een poosje niets meer aan, geloof mij.